                   <?xml version="1.0"?>
<?xml-stylesheet type="text/css" href="http://spinozaetnous.org/w/skins/common/feed.css?303"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xml:lang="fr">
		<id>http://spinozaetnous.org/w/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Pourquoipas</id>
		<title>Spinoza et Nous - Contributions de l’utilisateur [fr]</title>
		<link rel="self" type="application/atom+xml" href="http://spinozaetnous.org/w/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Pourquoipas"/>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Sp%C3%A9cial:Contributions/Pourquoipas"/>
		<updated>2026-05-22T18:04:04Z</updated>
		<subtitle>Contributions de l’utilisateur</subtitle>
		<generator>MediaWiki 1.18.0</generator>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-23T19:07:08Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|fol. 66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gofol.  ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |fol. 87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderfol.  De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |fol. 98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |fol. 99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |fol. 100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |fol. 101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |fol. 104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |fol. 105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |fol. 107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |fol. 108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |fol. 109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |fol. 110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |fol. 117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |fol. 127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |fol. 128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |fol. 129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |fol. 131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|fol. 132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|fol. 133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |fol. 134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |fol. 135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |fol. 136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |fol. 137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |fol. 138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |fol. 139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |fol. 140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |fol. 141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |fol. 142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |fol. 141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 fol. 140 KB 75G15 fol. 140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |fol. 142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |fol. 143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |fol. 143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |fol. 144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
fol. 148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |fol. 149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |fol. 153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |fol. 154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |fol. 155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |fol. 156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |fol. 157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |fol. 158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |fol. 159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |fol. 160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |fol. 161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |fol. 162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |fol. 163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |fol. 164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |fol. 165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |fol. 166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |fol. 167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |fol. 168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |fol. 168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |fol. 169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |fol. 170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-23T19:04:25Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T11:15:10Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T11:14:36Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T11:08:31Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXV – Van de Duyvelen */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:57:28Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:57:03Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 {|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|2 [fol. 152] So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur,&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:48:07Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:46:41Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:42:20Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XX – Bevestiginge van't vorige */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:41:35Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XX – Bevestiginge van't vorige */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:36:43Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:34:48Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:31:14Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:27:05Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIV – Van het Beklagh  */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:25:13Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIV – Van het Beklagh  */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T10:23:35Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XIV – Van het Beklagh  */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T00:29:58Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-15T00:28:28Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T23:30:21Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. V – Van de Liebe */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;br /&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &amp;lt;br /&amp;gt;''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;br /&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen?&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;br /&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T22:46:17Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Voor Reeden van 't Tweede Deel */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen [fol. 61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T22:44:01Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewyl wy nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewyle die ontallyk zyn, maar wy zullen alleenlyk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hy bestaat van eenige wysen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wy in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wyzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hy uyt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wyze; geen zelfstandigheid want wy hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zyn; ergo dan een wyze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wyze dan zynde, zo moet ze dat zyn of van de zelfstandige uytgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uytgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewylze niet bepaald kan zyn, is oneindig volmaakt in zyn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wyse&amp;gt; Idea, wyze van denken van alle en een ieder zaak wezentlyk zynde, zo van zelfstandigheeden als van wysen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wy zeggen wezentlyk zynde, omdat wy hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlykheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlyk komt te zyn, is zeggen wy, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlyk komt te zyn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zyn alle de wyzen |f.61 in de zelfstandige uytgebreidheid, die wy lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uyt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlyk te zyn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zyn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zynde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wy dood zyn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewyl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wyze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zyne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zyn gelyk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zynde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buyten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uyt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zyn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlyk dat 't welk wy gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blyven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewyl het een wyse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uytgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altyd de zelve blyven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wy hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eyndelyk ten 3. Dat geen twee gelyke zelfstandigheeden konnen zyn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelyk, en kan geen selvstandigheid zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zyn alleen maar Wyzen van die denkende eigenschap die wy aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hy heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zyn desgelyks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uyt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wy zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zyn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewysen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewyle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelyk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zyn aan't menschelyk lichaam, dewyl het klaar is dat in die tyd als de mensch niet en was, het altyd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zy voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zyn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zyn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wy getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschryving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zynde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wy dan daar by men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wyze dat de voorstelling altyd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wysen dan uyt de welke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wyzen van de welke de mensch bestaat zyn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wysen uyt de welke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen (1) wat zy zyn, (2) ten anderen hare uyt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zyn: namelyk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buyten ons zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelykze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrygen wy (1) of enkelyk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlyk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duydelyker te verstaan, zo zullen wy een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlyk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uyt vind dat de zelvde gelykmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hy echter syne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd hebben, daarvan geklapt als de papegaay van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zynde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hy daar aan't geloof: maar te recht hebben wy gezeyt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hy doch zeeker zyn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zyn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelyk een regul is, te vreden zynde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooyt, wel gebruyk[t] zynde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelykmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zyn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewyle hy door Syne deurzigtigheid terstond de gelykmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbygaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word by ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wy een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wy die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van syn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wy de tweede, om dat die dingen die wy alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zyn] alleen aan ons bekend door overtuyginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uytwerkingen''. Waarvan wy dit seggen: dat namelyk uyt de eerste hervoorkomt alle de lydinge (''passien'') die daar streydig zyn tegen de goede reden. Uyt de tweede de goede ''Begeerten'', en uyt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uytspruytzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lydingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wy t'eenemaal onmogelyk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wysen noch begrypt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wyzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelyk wy gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lydinge'' uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlyk te doen zo zullen wy eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wy zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zyn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wyze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juyst niet te verstaan dat altyd voor de verwondering een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelyk als wy stilswygen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zyn, als wy die gewent zyn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hy besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hy stilzwygent al 't zelve dat Arisitoteles met syn beschryving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeyd hy; alzoo dat &amp;lt;hy&amp;gt; als zy eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluyt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluyt gemaakt hadde. Voorders als wy iets komen gewaer te worden, daarop wy nooyt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wy hebben des gelyks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wy zyn nooyt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewyl hy van eenige bezondere een besluyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit syn besluyt aangaat. Gelyk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wys gemaakt datter buyten syn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buyten zyn wynig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wys gemaakt dat [fol. 70] er buyten dit veldje of aardklootje daar op zy zyn (omdat zy niet anders beschouden) geen andere meer en zyn. Maar nooyt en is verwondering in die geene die ware besluyten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zyn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uyt&amp;gt; of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eindelyk uyt hooren zeggen alleen zullen wy eerst zien, hoe uyt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uyt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heyl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hy altyd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hy in't selve aanmerkt, zoo verkiest hy't als 't beste, buyten het welke hy niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelyk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond syne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wy alles klaarder sullen doen blyken in de verhandelinge van de Vryheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uyt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelyk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wy gemeenlyk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zyn, zo zyn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uyt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluyt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelyk wy dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelykinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eyndelyk komt ook voort uyt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelyk wy dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zy datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschryvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zyn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelyk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krygt lust en trek tot het selve, gelyk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zyn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uyt bevindinge gelyk datt gezien word in de &amp;lt;pr..kty.&amp;gt; practyk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeylbaar dink gewoon zyn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelyk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zyn die ons Redelyk en welke die, die onredelyk zyn, zo zullen wy het dan hier by latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewyl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uyt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wy ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuyginge van Redenen door welke ik in myn Verstand overtuygt ben dat de zaak waarlyk en zodanig is buyten myn Verstand als ik in myn Verstand daar af overtuygt ben. Een krachtig betuyg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altyd twyffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelyke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlyk'' en ''sodanig'' is ''buyten'' myn verstand, seg ik : ''waarlyk'', omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan my maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zyn en niet wat zy waarlyk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buyten'': want het doet ons verstandelyk niet 't geene in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zyn, maar niet wat zy waarlyk is. En dat is de reeden waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zyn, en niet wat zy is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelyk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelykmatigheid kan uyt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelyk het tweede met het eerste, soo kan hy (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelykmatig zyn en dit zo al zynde, spreekt hy niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelykmatigheid komt te * beschouwen zo als wy in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uytwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wy God liefhebben en ons alsoo verstandelyk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uytwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwyst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zyn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wy nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uyt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zyn, zo is't de pyne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelyk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruykende, de selve eens van naby bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zyn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wy daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat alle dingen genoodschikt zyn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wy van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zyn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wy dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zyn om zien (als wy ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wy goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrypen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelyk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemyd worden en dat om redenen die wy in't vervolg deses off by andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eynd van ''Adam'' of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is als door de uytkomst, zo dat ook 't geen wy van't eynd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen byzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlyk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uyt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zyn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eynd dewyl het eens Ens Rationis is, wy wel konnen weten: en ook als gezeyt is, syn goet en kwaad, al het welke maar wysen zyn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wy in vierderly [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wy nu de uytwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelyk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwyls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlyk beminnens waardig zyn, opwekkende. Zodat dan het laatste eynde dat wy zoeken en het voornaamste dat wy kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lydingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewyl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zyn in haar zelven vergankelyk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelyk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zyn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelyk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelyke dan zyn alle de byzondere dingen die niet van alle tyd geweest zyn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zy[n] alle die ''wyzen'' die wy gezeid hebben, oorzaak te zyn van de bezondere wysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wy voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uyt het begrip en kennisse die wy van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlyker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder ly wyzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlyke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wy nooyt en trachten van dezelve (gelyk van de verwondering en andere passien) verlost te zyn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelyk is, de twede omdat het noodzaakelyk is, dat wy niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelyk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wy in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wy 't niet en wilden beminnen, noodzaakelyk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zyn, het welk niet in onse vryheid bestaat of an ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzeeker wy en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelyk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zyn omdat wy vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wy vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelyk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erly voorwerpen hebben wy te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wy te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelyke'' aangaat (de wyle wy als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelyk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wy door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zy zelve swak zyn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar syn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelyk. Want wy hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlyk en goet te zyn''; en daar by verstaan wy zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zyn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hy dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelyke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewylze buyten syne macht zyn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelyk dat als die komen * te lyden, hy daarvan soude konnen bevryd zyn. En zo bygevolg besluyten wy: ''By aldien deze, die de vergankelyke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zyn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rykdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zyn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zyn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwyst om van de zo vergankelyke dingen af te scheiden. Want door't geene wy nu geseyd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelykelyk klaarder zien wy dit als wy aanmerken, van wat een heerlyk en voortreffelyk goet wy door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wy gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelyk zyn, buyten onze macht zyn. Op datmen ons wel verstaa, wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zyn van niets anders afhangende: maar als wy zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buyten'' onse macht zyn, zo verstaan wy door die welke ''in onse macht zyn'', zulke ''die wy uytwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wy een deel zyn: door die welke ''niet in onse macht zyn'' zulke ''die gelyk als buyten ons zynde, door ons geene veranderinge onderworpen zyn'', aangezien zy zeer verre van onse dadelyke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelyk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zyn zy nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zyn als maar * wysen alleen, die onmiddelyk van God afhangen. En dewyle de natuur deser sodanig is, zo en zyn zy voor ons niet om te begrypen, tenzy wy met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hy volmaakt is, noodzaakelyk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelyk zyn, dat als wy ons verstand wel gebruyken, wy souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zyn klaar: (1) Voor eerst om dat wy ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wysen zyn. Ende aangezien de wysen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zy onmiddelyk afhangen en wy nu al vooren getoond hebben dat als wy iets beminnende, een beter zaak als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altyd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelyk, dat als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelyk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wy ons verstand wel gebruyken inde kennisse van zaken, so moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zy staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewyl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlyk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altyd hervoort uyt kennisse van dat de Saake heerlyk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelyker zal konnen uytstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hy is alleen heerlyk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onder [fol. 86] zoeken gelyk wy hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, welke wy hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy onze werkinge op tweederley wyse komen te bedryven, of namelyk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelyk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelykmen segt van Socrates, die als hy was genoodzaakt syn knecht tot betering te castyden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zyn gemoed tegen deze syne knecht ontsteld te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewyl wy nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wy dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wy de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruyt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zyn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewyl wy weten dat een de zelve zaak op d'eene tyd ons goet, op de ander tyd ons kwaad is, gelyk dat in de geneeskruyden altyd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eyndelyk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydelyk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zyn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uyt ongemak of leed, het welk wy of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zyn. Ik zeg van natuuren, want als wy het zo niet en waanen, zo zyn wy alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelyk iemand van een steen of mes gekwest zynde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelyk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zynde, zo werkt se uyt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlyk is: uyt deze groote Haat komt ook voort de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlyk zynde, zo ook altyd zyne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uyt dit gezeide kan dan ligtelyk werden verstaan, dat wy onse redenen wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de reeden, dat wy heel geen [fol. 90] haat ooyt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daar van willen, wy het altyd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wy tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wy hun t'allen tyde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zy&amp;gt; wy van haar en zy van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooyt tot ons verderf maar altyd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluyt zeggen wy, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altyd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altyd uyt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wy vryelyk mogen zeggen, dat de zelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken soo't behoort. Zo zullen wy dan op de zelfde wyze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zyn de * begeerte en de blyschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sy ontstaan uyt de zelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wy van deze niet anders te zeggen als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doen maal zeyden, waar by wy het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] By deze zullen wy voegen ''de Droevheid'', van de welke wy derven seggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt de zelve: Want zy komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroevt zyn, wy ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wy ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwyd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelyk met sig sleept: en dit beyde met blydschap. Want't is zottelyk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eyndelyk, die syn verstand wel gebruykt, moet noodzakelyk God 't eerste kennen. Nu God als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelyk, dat iemand die syn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hy rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blydschap en vernoeginge der volheid is. Uyt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wy die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zyn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uyt buyten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting syns zelvs te hebben, syne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand syne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting syns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveysde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zynde, zo blykt dan daar uyt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelykheid te kennen. Want wy zeggen dat den bezitter des zelfs syne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wy tot onse volmaaktheid geraaken. Want wy te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlyk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermyden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschryving des zelfs geeft ook te kennen dat zy &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uyt zekere waan. Want wy zeiden dat zy toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschryft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uyt dit gezeide dan blykt dat zo goet en heylzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar by is zy de rechte trap door de welke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wy anders mosten doen om volmaakt te werden: gelyk wy dat zien inde Twyffelaars (Scepticis) die door dien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelyk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zynde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wy nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlyk, welke ons vorderlyk konnen zyn, aanwysen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wy zeer licht zullen konnen doen, indien wy maar wel op merken op de begrippen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zy die goet het zy die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wy ten opzigt van de saake zelve hebben, zyn of dat die zake van ons als gebeurlyk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelyk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrypt is dit: of dat hy iets moet zyn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wy een zaake die toekomende is begrypen goet te zyn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uyt krygt de ziele zo een gestalte die wy hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blydschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wy de mogelyk komende Saake oordelen kwaad te zyn, daar uyt komt de gestalte in onse ziele, die wy vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar by noodzakelyk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wy noemen verzekerdheid, het welk een seekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelyk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wy de zaake begrypen kwaad te zyn en noodzaakelyk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschryvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wyze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wy ook de zelve omkerende, beschryven op een ontkennende wyse |f.98 namentlyk aldus: Wy hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wy vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wy zyn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wy wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uyt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wy te spreken van die de welke ontstaan uyt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrypt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wy daaraf geen besluyten maaken, zo krygt de ziel een gestalte die wy wankelmoedigheid noemen: Maar als zy tot het voortbrengen van de zaake mannelyk besluyt en die voortbrengelyk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlyk om voort te brengen zynde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluyt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgyver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluyt hy moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zynde, noemt het vervaartheid. Eyndelyk de belgzugt of &amp;lt;jalouzy Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewyl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelyk zyn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zyn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want gelyk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelyke oorzaaken en moeten zodanig als zy geschieden, noodzakelyk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelyke ordre en gevolg van oorzaaken (dewyle daar alles onverbrekelyk en onvrikbaar is) plaatse scheynd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zynde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zyn nooyt, ten zy zy als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zy haar zyn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zyn) geweest hebben. Als |f.100 by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zyn, zo krygt hy die gestalte in zyn ziele die wy Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zynde, zo krygt de ziele die gerustheid die wy verzekerdheid noemen. Het gene wy dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewyle zy dingen vooronderstellen die wy door haar veranderlyke aard (gelyk in de beschryving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zy onderworpen zyn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschryvinge van de haat getoond is) wy moeten afkerig zyn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tyd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t'onsen voordeel doen komt niet uyt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zyn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door syn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uytvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zyn, negative of by geval bevryd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eyndelyk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wy voor tegen woordig doch kortelyk spreeken. Deze dan en zyn nooyt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uyt: dat wy iets doen van't welk wy dan twyffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtyds (vermids haar die hebbelykheid die vereischt werd om het verstand altyd wel te gebruyken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruyt besluyten, gelyk soo de geheele wereld doet, datze goet zyn. Doch zo wy de zelve te regt willen inzien, wy zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zyn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelyk en dienvolgende dat ze kwaad zyn: Want het is openbaar, dat wy altyd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelyk zyn zy dan en kwaad, want zy zyn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelyk te zyn en die wy derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelyk wy dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterye steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zy steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van syne werken en datze niet noodzaakelyk (gelyk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zy een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zy bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lyk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zy een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zy daarmede in die geene die zy bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zyn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blydschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blydschap nu al gezeyd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewyl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zyn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nyd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zyn als ons eens te erinneren 't geene wy al voorens van de haat gezeyt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelyk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blydschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy gewaar word, dat zyn doen by andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profyt dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hy komt te zien, dat zyn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelyk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zynde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zyn niet alleen niet vorderlyk volgens het geene wy in hare beschryvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zyn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zyn) zo zyn zy schadelyk en verwerpelyk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrystaan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by Exempel zo iemand zig kostelyk kleed om daardoor geacht te zyn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde syns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op syn even mensch te hebben; maar zo iemand syn wysheid (daar door hy aan syn eeven naasten konde vorderlyk zyn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende also om syn even mensch te winnen, syn even mensch gelyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wy om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben en't zal ons genoeg zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zy zyn die nyginge die de ziele heeft van syn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zyn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelykheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om syn even mensch te helpen en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelyk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zyn het laatste, waar van wy inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wy zullen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zy geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelyk of ooyt konnen komen te gebreeken en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewyl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelyk wy sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlyk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlyk blyken, dat wy ons verstand en Reeden wel gebruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zyn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevryden: gelyk wy dan zulks hier na op syn plaatze ook zullen bewysen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelyke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden dat alle die passien welke goet zyn, van zoodanig een aard en natuur zyn, dat wy zonder de zelve niet en konnen zyn noch bestaan en gelyk als wezentlyk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zyn; aangezien wy zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zyn, maar ook dan eerst reght zyn die wy behooren te zyn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlyk God gelyk wy alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelyk zyn, zo volgt daarop dan noodzakelyk (dewyl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde syns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zyn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altyd onveranderlyk is en blyvt, zo is't hem onmogelyk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wy voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrymaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zyn: namentlyk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelyker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneyndig is; waarom ze dan alle tyd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grypen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zyn waaruyt wy de onsterffelykheid van de ziel zullen bewyzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wyze die zyn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare gelov aanwyst. Om dit dan te doen, zo zullen wy eerst de beschryvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zynde, zal het schynen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewyle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wyze van denken zyn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelyk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zyn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zyn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zyn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zyn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeyndelyk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheyd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zyn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewyle zy gezeid worden de alderklaarste te zyn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zy zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelyk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooyt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twyffelen dat hy ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat; gelyk als iemant die droomt, wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt, denken dat hy droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wy gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van syne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrypen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luyd) is een suyvere of pure ''Lyding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wyze van denken krygt, die zy te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelyke gestalte of wyzen van denken krygt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wynige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uyt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewyl dan de eene lichtelyk, de ander niet lichtelyk verandert, zo volgt daaruyt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wyzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewyl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelyk dat zy in eenige tyd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lyden, dewyl wy nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlyk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tyd zyn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wy tot zo een welstand vrywillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat by die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wy gezeid die nyginge te zyn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onse begeerte zich uyterlyk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uytstrekt ook tot het geen niet waarlyk goet is en dat daarom: Omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zyn; gelyk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zyn, de wyle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zy ook hier in dat zy wel t'eeniger tyd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zyn; dat in de Waan die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zy zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zy de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrywillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uytwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlykheid'' niet aan syn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uytterlyke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelyk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlyk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlyk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlyke oorzaak door de welke datze zy. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlykheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelyk zyn door de wezentlykheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uytwendige oorzaak moet voortkomen: gelyk ook de beschryving die wy van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vry kan zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelyk eenige niet voldoen, die gewent zyn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Byzondere dingen die waarlyk in de Natuur zyn: En zodoende aanmerken zy het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hy in syn ziele een algemene wyze, die hy wille noemt, gelyk hy ook zo uyt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hy de ''dadelyke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlyk in de Natuur zyn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelyk in de verhandeling van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelyke wezens. Dog my aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schynen zy algemeene en ik kan haar niet dadelyks toe eigenen: Dog 't zy zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wyzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zyn dan nootzakelyk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelyke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wyze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelyk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewyl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wyze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrydigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gy dat de wil van wegen de vereeniginge die zy heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewyl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wyze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zyn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog de ziel wordt niet uytgebreyd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wy twee zelfstandigheden begrypen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrypen, want zo doende scheynt men te ontkennen dat de wil vry is, dat tegen hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles by te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eyndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelyk, dat de ''Vryheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlyk, dat in God vereyscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeygent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelykse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwyl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uyt wat kracht? Niet uyt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uyt die welke zy nu heeft, want zy heeft er heel geen door welke zy de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewyl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewyl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluyten, dat God dan alleen is en moet zyn de uywerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zy een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelyk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wyze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vry of niet vry is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wy getoond hebben een wyze van denken te zyn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blykelyk zyn. Want wy hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lydinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlykheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zyn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelyk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheynt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buyten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zyn, die ons daartoe bewegen) dat wy aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken anders zouden gevoelen als wy er af gevoelen. Dats onmogelyk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andere beduydtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wy maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wy gezeid te zyn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wy hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zy dan waar of vals: te weten, omdat wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wyze of Idea ontfangen zeer lichtelyk en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eyndelyk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zyn, die wy willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' by die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wy van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrygen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blyft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neyginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zyn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door reden onder schyn van goet of belet worden door reeden onder schyn van kwaad) konnen alleenlyk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneygentlyk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewyl het dan nu kennelyk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlyk die ''Wille'' mag zyn, die by de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschryving scheynt ''Begeerte'' een geslacht te zyn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hy zeit de Wille te zyn die lust of trek, die men heeft onder schyn van goet, waar uyt het my toe schynt, dat hy de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzy tot goet, hetzy tot kwaad, meent te zyn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schyn van goet heeft, zo noemt hy die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hy ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheyn van goet en te vlieden onder scheyn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uytterlyke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vry is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zy wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door syn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zy nogtans niet, wat het mag zyn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wy dan om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zoo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zy van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in syn ooren een aangenaam geluyd maakende, daar door lust tot hetzelve krygt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krygen? Zo gy jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uyt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vryheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wy&amp;gt; Doch deze vryheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zyn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door syn eigen natuur syn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelyk zyn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelykwy in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zynde deze Begeerte niet iets dat dadelyk in de Natuur is, maar zy is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlyk iets zynde kan ook niet dadelyk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is't eeven zo veel of wy zeyden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt dat ze zoude zyn: 't welk de *ongerymtheid zelve is en niet zyn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wy dan nu, dat de mensch als zynde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt syn zelve niet iets kan doen tot zyn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uyt deze onse stellinge voor ons ten besten zyn. En dat te meer daarom omdat wy niet en twyffelen, of zy zullen eenige niet wynig aanstotelyk schynen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uyt, dat wy &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlyk dienaars, ja slaven Gods zyn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelyk te zyn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zynde en zoo niet van God afhangig, zeer wynig is't of niet dat wy souden konnen verrigten en met recht daar uyt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wy nu zien: Dat wy namelyk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wy mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zyn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uytwerkingen van soo veel geschiktelyk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wy na het verrigten van een voortreffelyke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zyn en als of wy niets verder behoefden, staan blyven; strydende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wy altyd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wy daarentegen alles wat wy doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wy onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld dat wy hun nooyt nog haaten noch daarop vertorent zyn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zyn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zynde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vyfden: zo bevryd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nydigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelyk wy hier na zeggen zullen, de wezentlyke helle zelve zyn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eyndelyk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wy voor God niet en zullen vrezen gelyk andere voor de duyvel die zy verzierd hebben ten eynde hy haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wy God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zyn het geene zy zyn? En ook wy die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerlykste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlyk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlyk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van synen Byl op het beste gediend vind, zoo is dien Byl daar door gekoomen tot syn eind en volmaaktheid: Dogh indien hy zoude willen denken, dezen Byl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Byl afgeraaken van haar eynde en geen Byl meer zyn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hy zulks doet, is hy in zyn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van syn welstand beroven en te vernietigen, dewyle alles 't geene hy is daarin bestaat, dat hy God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wy nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlyk te onderzoeken, of wy door de 67kennisse, die wy nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zyn), of wy zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlyk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zyn) konnen geraaken? En ook, op wat wyze wy van die passien die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelyk konnen wy dat doen: Verstaat, als wy grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelyk dat onderworpen te zyn, uyt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlyk van het vry worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wy onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wy daar van hebben gesteld, dat als wy ons verstand maar wel gebruyken, gelyk wy (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelyk konnen doen, wy nooyt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke my dunkt vereischt te worden, dat wy ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wyzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom: Omdat als wy de uytwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelyk is te konnen doen. En dan zullen wy mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zyn, nu wy al weeten dat God en wat God is: De welke wy hebben beschreven te zyn een wezen van oneindelyke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelyk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wy oneyndelyk in haar geslagt betoond hebben te zyn, zoo moet dan noodzakelyk dit meede een eigenschap zyn van dat oneyndig wezen. En dewyl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlyk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlyk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wy ook getoond hebben datter buyten de Natuur die oneyndig is, geen wezen meer is off zyn kan, zoo is dan klaar blykelljk dat deze uytwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wy&amp;gt; door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uytgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft: Want ditt (gelyk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid &amp;lt;als van noodzaakelyke&amp;gt; noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden: gelyk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt en uytwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelyk zyn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zyn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheld dat willen wy ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelykheid is by ons om hetzelve bewust te zyn: Alsoo dat als wy ondervinden niets anders te zyn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uyt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uytgebreidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beyde te verstaan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;by&amp;gt; beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uytwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wy dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wy in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zyn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wyzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zyn die haar veranderen kan als alleen zy zelve, gelyk e.g. zoo wanneer een steen stille leyd, zoo is't onmogelyk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als syne ruste, hem doet beweegen. Gelyk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wyze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu syn beweginge hebbende na de eene zyde, nogtans na de andere zyde komt te wyken, gelyk als ik myn arm uyt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altyd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zyn als om dat de ziel zynde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zy en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uytwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uytwerkinge dan aangezien zy geene uytgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wyze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelyk wy dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelyk wy nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrypt in het voorwerp iets kwaads te zyn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uyt Lydinge de eene van de ander, namelyk door de bepalinge van beweeginge die wy alsoo werwaart wy willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lyden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelyk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zyde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwyls gebeuren dat zy door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden wanneer wy de reeden daar af als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlyk zyn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zyn ver|f.133minderd of omdat ze veel zyn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wy veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelyk zo veel verzwakt zyn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wy te veel wyn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolyk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wy te zyn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zyn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buyten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uyt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uyt beweeginge en ruste. En dewyle wy klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruyt klaarlyk, Indien wy eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wy ons lichaam mede kennen, dat wy als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zyn. Ik zeg naauwer, want wy hebben nu al te vooren bewezen dat wy zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wy hem niet door iets anders gelyk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelyk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uyt het geene wy dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelyk af te neemen, welke daar zyn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zyn uytwerkingen, &amp;lt;namelyk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zynde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zyn die zy aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uyt komt ons dat, dat wy het eene goet, het ander kwaad te zyn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zyn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wy van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wy aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wy bestaan) bewogen worden, zyn ons alder aangenaamst en hoe zy daar verder en verder afwyken alder onaangenaamst. En hier uyt is alderley slag van gevoel dat wy in ons gewaar worden en dat veel tyds door de lichaamelyke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wy impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wyn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zyn de verheugingen waarlyk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelyke ziel gebruykt het lichaam als een werktuyg en gevolglyk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zy of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelyk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uytwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uyt beschouwinge van onlighaamelyke dingen voortkomen, de zelve uytwerkingen zouden doen als die welke uyt beschouwinge van lichaamelyke dingen ontstaan: Want deze zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwerkingen hebben gelyk de natuur van die zaak uyt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelyke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlyker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uyt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uyt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zyn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelyke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uyt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uyt eynde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wy nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wy meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zyn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zyn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelyk wy op zoodanig een wyze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben; En by gevolg zoo zy ook het alder heerlykste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelyk zoude zyn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelyk by aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zyn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middely&amp;gt; middelen uyt dryvt gelyk door de wyn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zy eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zy aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zynde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zy wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uyt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelyk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluyten, recht tegendeelig als in de blydschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pynlyk. Nu wat is 't dat de Medicynen of wyn te weege brengt? Dit namelyk, dat zy door haar werking deze geesten van 't hart afdryven en weder ruymte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krygt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wyn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zyn van de wyn op de ziel, maar alleen van de wyn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uyt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelyk daar uyt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wyzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pynlykheid te bevryden, of door goede redenen overtuygt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tydelyk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlyk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zyn: Aangezien wy zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wys die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewyl nooyt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wy aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zyn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in syn geslacht oneyndig pag ... 5. Daar moet ook een eygenschap zyn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uyt haar wezen en wezentlykheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlykheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets byzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlykheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buyten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zyn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zy een Idea heeft van zo een zaak: Daarby dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zy van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begryp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buyten zyn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelyk een vereening zyn dewyl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zyn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wy hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelyk ontstaan uyt de wezentlykheyd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlyk ons vertoonen, uytwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelyk in ons, uyt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelyk van haar meest altyd aangedaan worden, maar uyt de wezentlykheid en 't wezen na al wat ze zyn. Nochtans is myn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uytwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zyde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zyde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zy dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelyk doen zeiden wy dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wy mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hy begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hy bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelyk een Idea moet zyn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelyk vereenigt moet zyn met het lichaam, zo stellen wy onbeschroomt dat syn ziel niet anders is als deze Idea van dit zyn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uytterlyke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelyk in de Idea het zelve geschied, hier uyt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zy een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneyndelyke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelyke dingen die in de Natuur zyn: Want indien 't lichaam een zodanige wyze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zyn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus syn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leyt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelyk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zyn: Wy schynen klaarlyk te konnen zien dat wy nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onse geesten een langen tyd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zyn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wy antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelyk, maar alleen door andere lichaamen de welke zy dede bewegen, die dan noodzakelyk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zy aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blykt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wy somtyds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zyn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtyds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wy lichtelyk bevroeden wanneer wy acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wy van de ''opinien'' gegeven hebben, die wy zeiden te zyn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zyn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewyle dan all het geen dat wy in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buyten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zyn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zyn of wy hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruyken. En zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zyn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zyn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneyndelyke&amp;gt; onmiddelyke ''vereeniginge'' van iets 't geen wy voor goet oordelen. En de reden schoon zy ons dat beter is aanwyst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten en buyten ons is, gelyk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwyst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zyn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelyke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zynde is de overwinninge altyd noodzakelyk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelyk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altyd noodzaakelyk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wy alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buyten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelykheid die ons [de] zaake zelve geeft is altyd meerder als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak gelyk wy dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelykenisse van de regel van drien. Want meer mogelykheid is in ons uyt het verstaan van de regul zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wy nu al zo dikwyls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wy daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uyt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strydig zyn (als vooren is aangewezen) ontstaan uyt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beyde nog geen van beyde is magtig ons daar af te bevryden. Alleen dan de derde manier is 't, namelyk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vry maakt. En zonder de welke het onmogelyk is dat wy ooyt hier af vry gemaakt konnen worden gelyk nu gevolglyk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zyn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schryven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglyk wy onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwyst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vry maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blyft dan overig dat wy onderzoeken of wy door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelyke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlyk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelyk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uyt dan volgt onwederspreekelyk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wy op deze manier God komen te kennen, wy dan noodzakelyk (want hy zich niet anders als de alderheerlykste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelyk wy nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wy hem zo hy is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wy hem om met hem vereenigt te zyn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelyk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wy door Natuur zodanig met hem vereenigt zyn, dat wy zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewyl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blykt dan dat wy hem ''niet als onmiddelyk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wy met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zyn van't welke niet een Idea zoude zyn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelyk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zyn moet, en dat wy de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zyn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zyn; welke ''Idea'' voorwerpelyk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneyndelyk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelyk God.&lt;br /&gt;
En dewyl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelyk gezeid is, niet in de Natuur kan zyn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelyk zyn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zyn, uyt de werkinge met het lichaam in de welke wy zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelyke dingen in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen die wy in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelykelyk meerder en heerlyker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wy noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelyk is) zullen en moeten zyn de sodanige uytwerkinge, uyt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelyk moeten mede gesteld zyn na de zaaken met de welke zy vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wy met waarheid zeggen weder geboren te zyn. Want onse eerste geboorte was doen als wy vereenigde met het lichaam door welke sodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zyn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zyn, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelyk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelyk en onlichaamelyk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestendigheid, zo wy zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wy eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uyt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wy lichtelyk zien of zy sterfelyk of onsterfelyk zy.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wy gezeid te zyn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlykheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zyn: Daar by hebben wy aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zy de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zy noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uyt men dan lichtelyk kan zien (1.) dat by aldien zy met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zynde het fondament van haar liefde ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e) by aldien zy met een andere zaake die onveranderlyk is en blyft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlyk moeten blyven. Want waar door zoude het als dan mogelyk zyn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wynig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zyn doen zy niet en was, alzo wynig kan zy ook nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zyn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uytwerkinge des zelfs, namelyk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelyk uyt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zyn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zyn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zy hem lief hebben? Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wyze van denken buyten die de welke in de schepzelen zyn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hy haar soude lieven omdat sy hem lieven, haten omdat zy hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrywillig souden doen, dat zy niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zyn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlykheid moeten veroorzaaken, die daar hy te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buyten hem zoude zyn. Doch dit |f.153 is de ongerymtheid zelve. 2/23,3 Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zyn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlyke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zy die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zyn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zyn sodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wyken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in sich heeft, en diergelyke, die van soodanige |f.154 aard zyn dat ze nooyt en veranderen, nooyt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelyk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zyn goddelyke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens syn eigen besluyt. Alle wetten die overtreden konnen worden zyn menschelyke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluyten, daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zyn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zyn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zyn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelyke wetten zyn het laatste eynde om het welke zy zyn en niet geonderordend; de menschelyke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eynde hebben als daar door haar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zynde geonderordend onder andere eynde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zynde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. ex. gr. Wanneer de Beyen alschoon zy geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zy onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zynde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eynde, namelyk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zyn oogmerk niet verder als zyne bepaalde wezentheid bereyken kan; doch in aanzien hy ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eynd des menschen het laatste eynde van de natuur, dewyle zy oneyndelyk is en dit onder alle andere meede als een werktuyg van haar moet gebruyken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zyn verstand wel gebruykt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hy heeft met God en door de gemeenschap die hy heeft met de wyzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelyk is en de ander niet: Want belangende de wet die uyt de gemeenschap met God ontstaat, dewyle hy nooyt en kan laten, maar altyd noodzakelyk met hem vereenigt moet zyn, heeft hy dan en moet hy altyd de wetten volgens de welke hy voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uyt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wyzen ontstaat: Aangezien hy zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelyk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewyle wy dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelyk zonder eenig ander dink te gebruyken door't welke hy het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wy antwoorden, door woorden altyd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als by exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zy dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hy God was, eer zy konden verzekerd zyn dat hy het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zy als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zy dat hy God was. En het zelve dat wy hier van de woorden zeggen, willen wy mede gezeid hebben van alle uyterlyke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wy het dan onmogelyk dat God door middel van eenig uytterlyk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wy te zyn onnoodzakelyk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelyk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blykt daar uyt onwederspreekelyk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelyk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zyn als God zelfs, het welk opentlyk stryd tegen alles 't geen wy tot hier toe klaarlyk getoond hebben, namelyk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wy nooyt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelyk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelyk dat wy uyt een bepaalde een oneyndelyke en onbepaalde zaak souden konnen besluyten? 2/23,13 Want of wy alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelyk om voor ons daar uyt dan te besluyten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneyndelyke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zyn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wy dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wy dan eyndelyk besluyten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruyken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duyvelen off die zyn of niet zyn, zullen wy nu kortelyk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duyvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hy net overeen met de Niet, daar wy nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wy hem met eenige te zyn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hy wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wy terstond ondervinden van neen, want uyt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelykheid in haar hebben hoeze bestandiger zyn: De Duyvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hy doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier by dat de bestandigheid off duuring in de wyse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wyze uyt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duyvelen gesteld zynde, zo en konnen zy onmogelyk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewyl'er heel geen noodzakelykheid en is om Duyvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wy hebben niet gelyk andere, om de oorzaake van Haat, Nyd, Toornigheid en dier gelyke Passien te vinden, van noden Duyvelen te stellen, dewyle wy die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wy niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duyvelen zyn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wy zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zyn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wy nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wyze wy tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlyk gezegt word, dat namelyk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wy tot kennisse en gevolglyk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zyn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst syn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hy tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelyk dat over al uyt het geene wy gezegt hebben blykt. Desgelyks is ook uyt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wy als buyten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uyt kragt van kennisse en goddelyke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelyk wy getoond hebben, maar alleen een tydelyke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zynde, zo konnen wy 't met reden voor een groote ongerymtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelyk, byaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zy als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zy iets dat beter |f.164 was als God zouden uytvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buyten het water geen leven is) by aldien my op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uyt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wy dan dat wy om te bereyken de waarheid van't geene wy voor vast stellen aangaande ons heyl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelyk ons eygen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlyk. En aangezien wy ondervinden dat wy zoekende de zinnelykheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heyl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wy hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewyl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zyn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wy hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zyn het beste goed van alle goed, zo worden wy genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buyten Hem hebben wy gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heyl kan geven. En dat het een waare vryheid is met de lieffelyke ketenen van syne liefde geboeydt te zyn en te blyven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eyndelyk dan zo zien wy ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelyk een trap langs de welke wy na de gewenste plaats opklimmen, of gelyk als een goede geest die ons buyten alle valsheyd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heyl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eynde te maaken kortelyk aan te wyzen welke daar zy de menschelyke vryheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zyn, daar toe zal gebruyken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zy ook van de doening en te min van de lyding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hy heeft en dat de &amp;lt;ley&amp;gt;lydende lydt door 't geen hy niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lyding de welke is van niet zyn tot zyn of van zyn tot niet zyn, die moet voortkomen van een uytterlyke doende en niet van een i[n]nerlyke: Want geen zaak op zich zelfs zynde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zy is, of te konnen maken als zy niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uytterlyke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uyt deze twee laatste besluyt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblyvende off innerlyke oorzaak ('t welk by my een is) en is niet mogelyk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 syne oorzaak blyft. Want een sodanig gevrocht gelyk het niet en is voortgebragt van uytterlyke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewyl heel geen zaake als door uytterlyke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelyk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange syne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervryste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblyvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uyt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar by ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wy al uyt deze vorige stellingen hebben te besluyten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneyndig is, zo heeft het en een oneyndige doening en een oneyndige ontkenning van de lyding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zy door haar meer wezentheid met God zyn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zy ook van de doening en te min van de lyding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft volgens de 4e steling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken, zyn voor zo veel meer volmaakt als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vry van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooyt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uyt uytterlyke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelyk heeft voortgebracht, en hy niet alleen is een innerlyke oorzaak, so volgt nootzakelyk dat het niet en kan vergaan so lang deze zyne oorzaak blyft, volgens de 4e stelling. Nu deze syne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zyn, zyn de aldervoortreffelykste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wyle zy innerlyke gevrochte zyn, zo zyn zy de aldervoortreffelykste volgens de 5e stelling, en daar en boven zyn zy ook noodzakelyk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wy buyten ons zelve werken zyn voor zo veel meer volmaakt, als zy meer mogelyk zyn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uyt te maaken. Want op deze wyze zyn zy de innerlyke gevrochte alder naast, als by voorbeeld, zo ik myne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zy of niet zy, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo myn eenige eynde dat ik trachte te bereyke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in my voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan myn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelykheid konnen wy alle deelachtig zyn aan dit heyl gelyk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in my is, maakende alzoo daar door dat syn wil en de myne een en dezelve is, uytmakende een en dezelve natuur, altyd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uyt al dit geseyde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zy de menschelyke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vryheid, die ik dan aldus beschryf te zyn. Dat het namelyk is een vaste wezentlykheid de welke ons verstand door de onmiddelyke vereeniginge met God verkrygt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buyten zig zelve gevroghten, met syn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch syne gevroghten aan eenige uytterlyke oorzaaken onderworpen zyn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blykt met eenen ook uyt het geene gezeyd is, welke daar zyn de dingen die in onse magt en aan geen uyterlyke oorzaaken onderworpen zyn, gelyk wy hier ook mede en dat op een andere wyze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eyndelyk welke gevroghten het zyn, die wy boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is my dan alleen noch overig om een eynd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schryve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zyn om dat zy niet van veele en is aangenomen en de wyle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wy leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gy die ten eenen maal zult by U houden, maar alleen zo gy ooyt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en dryve als alleen het heyl uwen naasten met eenen door baarblykelykheid van hem verzekerd zynde dat beloninge uwen arbeyd niet en zal bedriegen. Eyndelyk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gy U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gy het met genoegzame tyd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik my verzekert dat gy zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gy U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T22:39:10Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder moeten [fol. 125] trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat wy ons niet hebben te verhovaardigen, in 't geen wy doen, wat het ook is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] &amp;lt;sup&amp;gt;62&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Dat wy onse naasten, liefhebben, en nooyt haten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] &amp;lt;sup&amp;gt;63&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Is zy voordeelig aan 't gemeene best.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] &amp;lt;sup&amp;gt;64&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Wy worde daar door bevryd van veele kwade passien.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;65&amp;lt;/sup&amp;gt;Ten zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke [fol. 126] alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;6. En van de vreze voor God, gelyk andere voor de duyvel.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;66&amp;lt;/sup&amp;gt;Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ook aangepord om aan God alles toe te eygenen, en hem alleen te beminnen.&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk ons laatste eynde is, om 't welk wy zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En zonder 't welke wy niet en waren.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wij van 't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem ''niet als onmiddelijk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneijndelijk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wij de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zijn; welke ''Idea'' voorwerpelijk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God.&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T21:05:58Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is &amp;lt;als&amp;gt; een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &amp;lt;br /&amp;gt;Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de Hope.&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoe nu alle dese passien uyt de begrippen voortkomen.&amp;lt;br /&amp;gt;En 1. Hoe uyt de ''Hope''.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de ''Hope'' is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;2. Hoedanig de vreeze.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
3. Hoedanig de verzekertheid en wat die is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
4. Hoedanig de vanhoop is en wat die is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wij van 't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem ''niet als onmiddelijk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneijndelijk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wij de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zijn; welke ''Idea'' voorwerpelijk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God.&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T18:29:16Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. [fol. 97] Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wij van 't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem ''niet als onmiddelijk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneijndelijk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wij de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zijn; welke ''Idea'' voorwerpelijk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God.&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T01:48:30Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wij van 't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem ''niet als onmiddelijk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneijndelijk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wij de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zijn; welke ''Idea'' voorwerpelijk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God.&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-14T01:42:51Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want [fol. 146 bis] ook de kennisse die wij van 't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als &amp;lt;her&amp;gt; is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge! Wat een liefde!&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze kennis en hoeft niet eevenmatig, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Dat deze vierde kennisse, die daar is de ''kennisse Gods'', niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelyk, blykt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben: hem te zyn de oorzaak van alle kennisse, ''die alleen door zich zelfs, en door geen ander zaak bekend word''; daar benevens ook hier uyt, ''omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden''. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem ''niet als onmiddelijk en konnen verstaan''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 4&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, namelyk in 't exempel in de regul van 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt;, pag. 66.&amp;lt;br /&amp;gt;Bewys van dat deze niet en is uyt gevolg van wat anders; ziet pag. &amp;lt;2-3&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Vervolg van dit bewys.&amp;lt;br /&amp;gt;Hier uyt blykt, dat wy hem niet als onmiddelyk en konnen verstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren.&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hier door word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneijndelijk verstand, van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wij de ''Zone Gods'' noemden. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn ''Idea'' in de denkende zaak, dat is in zich zelfs, &amp;lt;van eeuwigheid&amp;gt;  zijn; welke ''Idea'' voorwerpelijk overeen komt met hem zelfs; ''vide pag.'' &amp;lt;55&amp;gt;.&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is [fol. 147] ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Nader verklaringe van de vereeniginge met God. Hoe die is en waar in die bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-13T11:10:46Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de ''Waan''. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het ''Ware Geloof'', maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de ''Waare Kennis'' die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag. [145 bis] zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de ''Zonde'', onder het gelove de ''Wet'' die de Sonde aanwijst en onder de ''Waare kennisse'' de ''Genade'' die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-13T11:02:53Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol.145 bis] Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nu word eerst aangevangen van de ware kennisse te spreeken en zoo wort. Is alleen overig, dat ons de ware kennisse tot heil en welstand brengt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Deze is niet uyt gevolg van wat anders.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk ''dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt''. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En wat hier uyt volgt.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Dat die ware liefde uyt haat voort komt. En gevolglyk de vereeniging met God, door de liefde die uyt deze ware kennisse voort komt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-13T05:09:51Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat dese begrippen zyn in opzigt van de zake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ten opzigt van de gene, die ze begrypt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-11T22:38:44Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove aanwyst in deze volgende tien. Die namelyk onstaan uyt de begrippen die wy van een saake hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-11T21:26:22Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-11T00:38:23Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de Bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Bespottinge en Boerteren waarop 't gelove zegt dat die steunen ; namentlyk :&amp;lt;br /&amp;gt;Op een valsche waan en welke die is ; en waar uyt die voortkomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte [fol. 103] lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waarom zy in de Bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Het Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt ; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van het lachgen en wat opzigt het heeft, en wat het is.&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
Is een zeeker slag van Blydschap. Siet pag. 91 [cap. VII].&amp;lt;br /&amp;gt;Doch niet van 't Lachen uyt beweging der geesten. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Nyt, Gramschap en Euvelneming siet pag. 86 [cap. VI]. &amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-10T21:50:23Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XVIII – [fol.124] Van de Nuttigheid van't voorgaande */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,1 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte|f.103lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig &amp;lt;zo betonen zij&amp;gt; zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,2 Het &amp;lt;Laghen&amp;gt; Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,3 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Voor eerst volgt daar uijt, dat wij &amp;lt;sup&amp;gt;60&amp;lt;/sup&amp;gt;waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van ''Hem'', zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;I. Dat wy slaven en dienaars Gods zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat &amp;lt;sup&amp;gt;61&amp;lt;/sup&amp;gt;wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-10T21:34:41Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,1 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte|f.103lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig &amp;lt;zo betonen zij&amp;gt; zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,2 Het &amp;lt;Laghen&amp;gt; Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,3 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – [fol.124] Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde ''een deel van geheel de Natuur'', van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat nuttigheden uyt deze stelling, van dat de mensch uyt hem zelfs tot syn heil niets niet kan doen, volgen ; namentlyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
2/18,2 Vooreerst volgt daar uijt, dat wij 60waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat 61wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het tweede Deel, van de Mensch en 't geen tot hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_tweede_Deel,_van_de_Mensch_en_%27t_geen_tot_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-10T21:24:57Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;|&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voor Reeden van 't Tweede Deel ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken. I. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, &amp;lt;aangaan&amp;gt; begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Van wat de ziele is vergelykt met het geene aangetekend is pag. [?].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik zegge van eenige ''wijzen'', omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, &amp;lt;ref&amp;gt;1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat [er] geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de &amp;lt;denking denking&amp;gt; denking.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. De zelfstandige denking dewijlze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, &amp;lt;wijse&amp;gt; Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die geheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen |f.61 in de zelfstandige uijtgebreidheid, die wij lichaam noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. De verscheidenheid der zelver ontstaat alleen door andere en andere proportie van beweginge en stilte, waar door Dit zo en niet zo, dit dit en niet dat is.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;10. Doch in andere proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als wij dood zijn en niet te min zal dan en was doen, zo wel een Idea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze &amp;lt;is&amp;gt; nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3 gaat, dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;13. En deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert&amp;lt;ing gewaar&amp;gt;, deze verandering gewaar word. En deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;14. Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken, dat de proportie van [fol. 62] beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood. En een vernietiging der Ziele, zo ze maar alleen is een Idea, kennisse etc. van dit zo geproportioneert lichaam in beweging en stilte.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende Zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en &amp;lt;daar&amp;gt; met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken.&amp;lt;/ref&amp;gt; ziele, of lichaam bestaat, een ''selfstandigheid'' is. Want wij hebben nu [fol. 61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Zo dat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] [fol. 62] En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan &amp;lt;zelfstan&amp;gt; zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat &amp;lt;dat&amp;gt; de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan [fol. 63] worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan &amp;lt;konnen&amp;gt; worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul &amp;lt;ken&amp;gt; stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De Regul dan is deze: Dat behoort &amp;lt;tot&amp;gt; aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Beschrynvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. I – Van Waan Geloof, Weten ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 64] [1] Om dan aantevangen te spreeken van de &amp;lt;ref&amp;gt;De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in ''waan'', ''waar geloof'', en ''klare onderscheide ken[n]is'', veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.&amp;lt;/ref&amp;gt; wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Deze &amp;lt;ref&amp;gt;Deze begrippen van dit geloof worden pag.[fol.] 67 voort eerste gesteld als ook hier en aldaar de ''Waen'' genoemt gelijkze het ook is.&amp;lt;/ref&amp;gt; begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch om [fol. 65] dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1) ''Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste''. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Deze waant alleen, of zo men gemeenlyk zyt, gelooft alleen van horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (2) ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de &amp;lt;weer&amp;gt; daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding ; en dit zyn de twederley wanende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Een (3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(3) Deze is zeeker door het waare geloove, dat hem nooyt en kan bedriegen ; en is eigentlyk gelovende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch een (4) vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(4) Maar deze laatste en is nooyt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat Waan, Geloof, en klaare Kennis is==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat ''Waan, geloof en klaare kennisse is''. De eerste (1.) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Nader verklaringe van de waan, 't waare gelove en klaare kennisse, en waarom so genoemt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] ''Waan'' dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Geloof'' dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Ziet de beschryvinge van 't gelove pag. [fol. 74] ; en waar in het bevestigende, genomen voor de ''wille'', van het gelove verschilt, pag. [fol. 115].&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar ''klaare kennisse'' noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 68] Dit dan voor af zo laat ons nu koomen tot haare ''uijtwerkingen''. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (''passien'') die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede ''Begeerten'', en uijt de derde de waare en oprechte ''Liefde'' met alle haar uijtspruijtzels.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dus verre van wat de ''Waen, 't ware geloof'', en ''klaare kennisse'' zyn ; zo volgt nu dan van haar uytwerken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Alzo dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de ''Kennisse'' stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande &amp;lt;gronden&amp;gt; wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Uyt de kennisse, zo de ware als de valsche, ontstaan alle de Lydingen in de Ziel.&amp;lt;/small&amp;gt; &lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Lydings oorspronk. Van de Lyding uyt Waan ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (''Passien'') ''Lijdinge'' uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel &amp;lt;te&amp;gt; en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hoedanig de Lydinge uyt de waan komen te onstaan, zynde het 2de dat Cap. I belooft is te zullen doen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Laat dan de ''Verwondering'' de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste [fol. 69] wijze kent, &amp;lt;ref&amp;gt;Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; namelijk als wij stilswijgen[de] de zake zoo en niet anders meenen te zijn, als wij die gewent zijn te zien, horen, of verstaan etc. Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat &amp;lt;hij&amp;gt; als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde. Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben des gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc.&amp;lt;/ref&amp;gt; want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand &amp;lt;verb&amp;gt; noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben. Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Verwondering.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele ''Philosophen'' die hun zelfs hebben wijs gemaakt dat [fol. 70] er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Het tweede zal zijn de ''Liefde'': deze aangesien datze ontstaat &amp;lt;uijt&amp;gt; of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de &amp;lt;opie&amp;gt; opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Dat de Liefde uyt waan, uyt klare kennis en ook van hooren seggen komt. Deze is het Fundament van alle goet en kwaaad. Ziet pag. [fol.] 108 cap. 14.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend. Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt Waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Hoe deze komt te veranderen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] * Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij [fol. 71] gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet uyt waan komt ; doch daar van ziet pag. [fol. 146 bis] cap. 22.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede &amp;lt;die&amp;gt; in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Liefde uyt horen zeggen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] De ''Haat'' dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt &amp;lt;kan worden&amp;gt; wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner &amp;lt;als haat waardig&amp;gt; niet veel eer erbarmens als haat waardig? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. De Haat, het tegendeel van de Liefde, ontstaat uyt waan.&amp;lt;br /&amp;gt;Kan noyt plaats hebben in iemand die het ware goet kendt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren [fol. 72] zeggen alleen, gelijk wij dat &amp;lt;dien&amp;gt; zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden ! &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9]De ''Begeerte'': het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen &amp;lt;ref&amp;gt;De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen.&amp;lt;/ref&amp;gt; in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. De Begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uyt waan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] Alsoo dan is 't klaar, dat ''Begeerte'' gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want &amp;lt;ni&amp;gt;jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 73] Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de &amp;lt;pr..ktij.&amp;gt; practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Komt ook voort uyt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die my niet behaagt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wij in 't volgende zullen &amp;lt;han&amp;gt; aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geene nu van deze wynige doch voornaamste gezeyt is, kan mede van alle andere gezeyt worden ; en hier mede word geeyndigt van die ''Passien'' die uyt de Waan voort komen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Wat uyt Geloof voortkomt. En 't goet en kwaad des mensche ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 74] [1] Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de ''Passien'' voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij ''Het Waare'' &amp;lt;ref&amp;gt;''Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen'' zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffel&amp;lt;ing&amp;gt;achtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke ver&amp;lt;eeniging&amp;gt;eeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake ''waarlijk'' en ''sodanig'' is ''buijten'' mijn verstand, seg ik : ''waarlijk'', omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ; ''sodanig'': want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten ; ''buijten'': want het doet ons verstandelijk niet 't geene in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Geloof'' genoemt hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de uytwerkingen van het ware gelove.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;12&amp;lt;/sup&amp;gt;Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De I. uytwerkinge is dat ze ons aanwyst wat de zaake behoort te zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Ik [fol. 75] zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als &amp;lt;de&amp;gt; van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te * beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Ziet hier af pag. [fol.] 66.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze &amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 2 uytwerkinge, dat ze ons verstandelyke doet genieten de zake die zy buyten ons aanwyst en vertoond ; dat is, klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De *derde uijtwerkinge is, datze aan &amp;lt;sup&amp;gt;14&amp;lt;/sup&amp;gt;ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle ''passien'', die te &amp;lt;...&amp;gt; vernietigen zijn &amp;lt;te vernietigen&amp;gt;. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien [fol. 76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De 3. dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wy te vernietigen hebben, of niet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hoe dat zulks gedaan woord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de 4e uytwerkinge van die ware geloof siet pag. [fol.] 110 is dat ze ons aanwyst waar in dat waarheid en valscheid bestaat.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van 't goet en kwaad des mensche.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat ''In de Natuur geen goet en geen Kwaad is''. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een ''Wezen van reden''. En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat het zelve niet in de Natuur is, maar in ons verstand.&amp;lt;br /&amp;gt;Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien, offer middel was om daar toe te geraalken.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] En &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid [fol. 77] voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;En volgens zo een Idea, zoude men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen ; en kwaad, alles wat ons of daar in verhindert.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als ''E.g.'' Van ''Adam'', ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een &amp;lt;dade&amp;gt; wezen van Reden (''ens Rationis'') verwarren zoude, het welk wel &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;naauwkeurig van een regtschapen ''Philosooph'' moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zyn, noch daar mede vermengt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Voorder om dat het eijnd van ''Adam'' of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, &amp;lt;ref&amp;gt;Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of ''Ens Rationis''.&amp;lt;/ref&amp;gt; gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat nu uyt het betoog van tevooren gedaan, blykt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uyt het begripp.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve [fol. 78] begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in ''horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse''. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde &amp;lt;sup&amp;gt;19&amp;lt;/sup&amp;gt;namelijk de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de ''waare kennisse''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En dat uyt alle dit klaar is hoe dat de vierde wyse in de ziel, namelyk de klaare kennis, de aldervolmaakste is van alle.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En hook het laatste eynde van't geen wy hebben te zoeken en te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] &amp;lt;sup&amp;gt;20&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. &amp;lt;sup&amp;gt;21&amp;lt;/sup&amp;gt;En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste ''wezen'' is) vereenigt en hem zo geniet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Is ook verscheiden, na de voorwerpen, in beter en slechter.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En alder volmaaktst als zy God tot een voorwerp heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. &amp;lt;sup&amp;gt;22&amp;lt;/sup&amp;gt;Ende voor eerst van de ''Verwondering''. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, [fol. 79] omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;1) Vat in de verwondering goet of kwaad is ; en dat de zelve is een onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van de Liebe ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De ''Lievde'' die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] &amp;lt;sup&amp;gt;24&amp;lt;/sup&amp;gt;Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; &amp;lt;sup&amp;gt;25&amp;lt;/sup&amp;gt;andere wel niet &amp;lt;door&amp;gt; vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2) Wat in de lievde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak. En verscheiden na de hoedanigheid van't voorwerp. En van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelyk zyn ; andere alleen door haar oorsaak onvergankelyk ; maar een derde, alleen door syn eigen kracht, eeuwig en onvergankelyk.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de vergankelyke zyn door haar zelfs Natuur.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |De andere dat zij[n] alle die ''wijzen'' die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke alleen door haar oorzak onvergankelyk : ziet pag. [fol.] 53 ''et sqq''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de ''Waarheid''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke de derde is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook [fol. 80] de liefde groter en groter in ons. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt de Liefde ontstaat. Namentlyk uyt de kennisse, en hoe die zaak die van ons gekend word heerlyker is, hoe de liefde grooter wort en moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op tweederley wyse komt de lievde te vergaan of door de kennisse van een better, of door onheil en ramp die se mesleept.&amp;lt;br /&amp;gt;Dese Liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde ; siet daar af pag. [fol. 145] cap. 21.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de liefde tracht men nooyt ontslagen te worden, gelyk als van de andere passien, om 2 redenen : 1. om dat het onmogelyk is ; de 2. om datse ons noodzaakelyk is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Onmogelijk dan is 't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en &amp;lt;kwaad&amp;gt; nut, dat wij in het * voorwerp aanmerken, het welke soo wij 't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend &amp;lt;wezen&amp;gt; zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Onmogelyk : omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gesien word.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dat dan van ons niet most gekend zyn, zo wy niet en zouden beminnen ; nu dese kennisse en hangt van onse vryheid niet af ; ''ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |''Noodzaakelijk'' dan ist niet van de zelve verlost te [fol. 81] zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Noodzaakelijk : omdat wy, zonder met iets vereenigt te zyn, niet en zouden konnen bestaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Welke dan, van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen? &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Welke dan van deze drie voorwerpen hebben wij te verkiezen ?&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |&amp;lt;sup&amp;gt;27&amp;lt;/sup&amp;gt;Wat de ''vergankelijke'' aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en &amp;lt;sup&amp;gt;28&amp;lt;/sup&amp;gt;vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs &amp;lt;sup&amp;gt;29&amp;lt;/sup&amp;gt;ons schadelijk. Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een ''vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn''; en daar bij verstaan wij zo een ''vereeniginge'', door de welke en de liefde en het geliefde een en de &amp;lt;zev&amp;gt; zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel * ellendig, die met eenige vergankelijke [fol. 82] dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en &amp;lt;zo&amp;gt; veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen * te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: ''Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.'' &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet met die welke door haar natuur vergankelyk zyn en moeten wy trachten te vereenigen. Want, door de zelve, en bekomen wy geen versterkinge onser natuur, dat nochtans 't oogmerk is. En niet alleen dit, maar sy zyn ons ook schadelyk.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Maaken ons ellendig, door de veelvoudige toevallen &amp;lt;de&amp;gt; dingen die zy gedurich onderworpen zyn.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Dewyl wy met haar vereenigt zynde ook met haar noodzakelyk komen te lyden.&amp;lt;br /&amp;gt;En zyn wy, met deze vereenigt zynde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben ; wat zyn wy dan, vereenigt zynde met eere, Rykdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig !&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de &amp;lt;sup&amp;gt;30&amp;lt;/sup&amp;gt;''Reden'' aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het ''vergif'' en het ''kwaad'' dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwyst behoort genoeg te zyn. Byzonder als wy zien van wat voor een goet wy ons, door de vereeniginge deses, berowen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver [fol. 83] gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen ''in'', andere ''buijten'' onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke ''in onse macht zijn'', zulke ''die wij uijtwerken'' door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke ''niet in onse macht zijn'' zulke ''die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn'', aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat wy verstaan door de dingen die buyten onse macht zyn of van ons niet afhangen. P. [Fol.] 80.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van &amp;lt;werp&amp;gt; voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk &amp;lt;door haar vergank&amp;gt; zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. &amp;lt;sup&amp;gt;31&amp;lt;/sup&amp;gt;Edoch een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar * wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde [fol. 84] moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo en moeten wy ook niet vereenigen met die voorwepen die door haar oorsak onvergankelyk zyn : het welk zyn de 2de voorwerpen van ons gesteld.&amp;lt;br /&amp;gt;* Omdat het maar alleen syn wysen die onmiddelyk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewyle wy deze sonder, God niet en konnen kennen, en God kennende onmogelyk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wy niet nalaten hem met een te beminnen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] De Reedenen waarom zijn klaar: (1) Voor eerst om dat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(1) Omdat God alleen wezen heeft, en alle andere dingen maar Wyzen zyn : Nu zo veel heerlyker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzaakelyker, moet dat wezen bemind worden van die die kend. Seg ''boven de toevallen'' ; omdat wy, een beter kennende, altyd een beter beminnen, als pag. [fol. 80] van ons getoond is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[11] [fol. 85] (2) Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van &amp;lt;dat de saake heerlijk is en goet&amp;gt; de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here &amp;lt;sup&amp;gt;32&amp;lt;/sup&amp;gt;onse God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;(2) Om dat wy de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.&amp;lt;br /&amp;gt;En zoo staat God noodsakelyk voor in kennisse van alle andere dingen ; want die, sonder hem, niet konnen gekend werden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En de Lievde altyd uyt de kennisse voort komt van dat de zaak heerlyk is. Nu wie isser heerlyker als Gof. ''Ergo''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[12] Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. * Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder [fol. 86] zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* Het gene van de liefde noch meet te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. [fol. 109 ; 145 bis] en so zullen wy vervolgende voortgaan, en betoonen wat ons de 3e uytwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwysen.&amp;lt;small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van de Haat ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] De Haat is een Neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder ''passien''?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de Haat is een Nyginge, van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |* Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. &amp;lt;br /&amp;gt;Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wy konnen werken met of zonder passien ; met, gelyk een meerder over syn minder gemeenlyk doet ; zonder, gelyk van Socrates gezeght word.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder ''Passien'' gedaan worden, zo &amp;lt;sup&amp;gt;33&amp;lt;/sup&amp;gt;achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder ''passien'' doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met ''passie'' te werken, dat het dan goet moet zijn &amp;lt;sup&amp;gt;34&amp;lt;/sup&amp;gt;zonder die te werken. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dewyl wy dan nu sonder passien konnen werken, wat zal dan best zyn, of dat wy de geene die ons kwaad veroosaken met haat vlieden of dat wy hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan ?&amp;lt;br /&amp;gt;Als wy iet zonder Passie doen, daar uyt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.&amp;lt;br /&amp;gt;Wat de * haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen [fol. 88] plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is.&amp;lt;br /&amp;gt;Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;* Zo de haat uyt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Maar staat te ondersoeken of zy ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe zal nodig zyn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. [fol. 89] Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De ''Haat'' is een ontstelling in de ziel tegens die ons tegens die ons willens en wetens mitsdaan heeft, en de afkerigheid is die ontsteltenisse in ons tegen een zak die, uyt haar natuur, ons of in waan, of waarlyk heeft beleedight.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid &amp;lt;sup&amp;gt;36&amp;lt;/sup&amp;gt;en de haat groot zijnde, zo werkt se uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar van de &amp;lt;sup&amp;gt;37&amp;lt;/sup&amp;gt;afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat de uytwerkinge van deze beyde zyn. Uyt de haat komt droefheid en groot zynde Toornigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ook de Nyt.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar uyt afkeer eenige droeffheid, om dat wy met een ons berowen van de volmaaktheid, die noch anderzins in de zaak is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen [fol. 90] haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hier uyt volgt dan dat wy onse reden wel gebruykende geen haat of afkeer, tegen eenig zaak konnen hebben : zo en kan die dan uyt de ware redenering niet zyn. Noch ook tegen eenig mensch, en om wat reden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen &amp;lt;zij&amp;gt; wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Plicht tegen onse naasten.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De goede conscientie en bedriegt ons noyt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Tot een besluijt zeggen wij, dat * de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheeden, als de liefde volmaaktheeden, en waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 91]&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Blydschap en Droevheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de * begeerte en de blijschap. &amp;lt;br /&amp;gt;Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;40%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de begeerte en de blyschap : Wat de 3e uytwerkinge van 't gelove ons daar in sal aanwyzen. &amp;lt;br /&amp;gt;Een zeker slag van blydschap zyn dese volgende : 1. de Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheyd. 2. Verzekertheid. 3. 't Laghen. 4. De Eere.&amp;lt;br /&amp;gt;* Dese omdat ze met de Liefde uyt een en de zelfde oorzak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag. [fol.] 70, 79.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Bij deze zullen wij voegen ''de Droevheid'', van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |fol. 92] de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op &amp;lt;d&amp;gt; middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe&amp;lt;d&amp;gt;t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Van de Droefheid. Ontstaat alleen uyt de waan, en is nodig daar af bevryd te zyn, omdat se ons hindert. Een zeker slag van droefheid, zyn dese : 1. De Wanhoop. 2. 'T Berouw en Knaging. 3. Beschaemtheid. 4. Beklag.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En 't is zottelyk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Hy kan ook met syn plicht wel waarneemen, dat is, God voor alle dingen te kennen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van Achting en Versmading, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 93] Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat schifting de 3 uytwerkinge van 't gelove doet in deze ses ; namelyk :&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Achting'' en ''Versmading'' dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;1. Van de Achting en Versmading.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Edelmoedigheid'' strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;2. Van de Edelmoedigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] De ''Nedrigheid'' is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;3. Van de Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] De ''Verwaantheid'' is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die niet in hem te vinden is. [fol. 94] &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;4. Van de Verwaantheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] De ''Strafbare Nedrigheid'' is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;5. Van de strafbare Nedricheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de ''Edelmoedigheid'' en ''Nedrigheid'', deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het welk het voornaamste is zo ons de ''reeden leerd'', waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Namentlyk een kennisse van volmaatkheid en onvolmaaktheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] Wat ''de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid'' angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij &amp;lt;ontstaat&amp;gt; ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die [fol. 95] aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de strafbare Nedrigheid het reghte tegendeel. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de Verwaantheid er strafbare nedrigheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat in de strafbare Nedrigheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me&amp;lt;n&amp;gt;[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam ; maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[10] [fol. 96] De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat in de achting en in de verachting ziet pag. [fol.] 93.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van Hoope, Vreeze, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het &amp;lt;kwaad&amp;gt; goet niet en zal komen &amp;lt;wij vre... dat het kwaad niet en zal komen&amp;gt; wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of &amp;lt;jalouzij Jalousia&amp;gt; Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren &amp;lt;(want van deze hebben zij haar zijn)&amp;gt; Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet &amp;lt;waant&amp;gt; waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Van Knaging en Berow ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het gelove ons zegt van de Knaging en 't Berouw. En waar uyt die ontstaan.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar [fol. 102] deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, &amp;lt;sup&amp;gt;39&amp;lt;/sup&amp;gt;nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen.&amp;lt;br /&amp;gt;Doch wel ingezien zynde, zyn schadelyk, kwaad, en waarom.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Zyn een zeeker slag van droefheid.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XI – Van Bespotting en Boerteyre ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,1 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte|f.103lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig &amp;lt;zo betonen zij&amp;gt; zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,2 Het &amp;lt;Laghen&amp;gt; Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad &amp;lt;zijn&amp;gt; eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/11,3 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XII – Van Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIII – Van Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 106] Zo volgt nu van de ''Gunste'', ''Dankbaarheid'' en ''Ondankbaarheid''. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Niet tegenstaande dit zo konnen zy in geen volmaakt mensch plaats hebben, en de reden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] De ''Ondankbaarheid'' is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de ''Onbeschaamtheid'' van de ''Schaamte'' en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ondankbaarheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Uyt haar oorzaak ziet men dat in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIV – Van het Beklagh &amp;lt;En van't Goet en Kwaad in de Passien&amp;gt; ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze &amp;lt;hebben&amp;gt; grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen &amp;lt;of&amp;gt; en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XV – Van 't Ware en Valsche ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: ''Waarheid'' dan is een bevest&amp;lt;in&amp;gt;[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en ''Valsheid'' een Bevestin&amp;lt;ge&amp;gt;ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] &amp;lt;sup&amp;gt;50&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te &amp;lt;denken&amp;gt; ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, &amp;lt;sup&amp;gt;51&amp;lt;/sup&amp;gt;maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht [fol. 111] vraagen, &amp;lt;sup&amp;gt;52&amp;lt;/sup&amp;gt;wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en &amp;lt;de andere met&amp;gt; wat schade doch d'ander &amp;lt;met&amp;gt; door zijn valsheid heeft? En &amp;lt;sup&amp;gt;53&amp;lt;/sup&amp;gt;hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of ''Idea'' meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet ?&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat uyt de beschryving van ''Waarheid'' en ''Valsheid'' scheynt te volgen, datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche ''Ideen''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid heeft [fol. 112] en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in ''valsheid'' of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat ''de waarheid God zelve is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Op welke schyn word geantwoord.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Dat het zotheid is te vragen hoe men weet dat men weet.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De waarheid openbaart zig zelfs en ook de valscheid.&amp;lt;br /&amp;gt;Maar de valsheid, geen valsheid.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Onderschyt tusschen een die in ''Waarheid'' en een die in ''Valsheid'' staat en met een voorbeeld verklaard.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En ook eenigzins van dat God de waarheid, of dat de waarheid God zelve is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waat door het komt dat van twee, die waarheid hebben, de eene meer van syn waarheid bewust is als de ander.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] * Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het ''Verstaan'' (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure ''Lijding'' ; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat [fol. 113] die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen &amp;lt;heeft&amp;gt; wordt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;* Wat aangemerkt diend om dit beter te begrypen.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in ''Waarheid'' staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt dan de volmaaktheid van een die in waarheid staat, boven een die daar niet in staat, gezien werd.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Want hy is bestanding om dat hy van de zaak nooyt anders aangedaan kan worden.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVI – Van de Wille ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] [fol. 114] Wetende dan nu wat ''Goet'' en ''Kwaad'', ''waarheid'' en ''valsheid'' is en ook waar in de ''welstand'' van een ''volmaakt mensch'' bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen? &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de ''Wille'' stellen, de ''Wille'' is en waar in die van de ''Begeerte'' onderscheiden word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uytwerking, en ook de vierde.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Of wy tot hen geen zy ons geleert heeft vrywilling of genoodzaakt komen ? en om dit te onderzoeken wat ons daar toe nodig is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] De ''Begeerte'' hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de &amp;lt;ref&amp;gt;De ''Wille'' dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom: Omdat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is en moet zijn, de wijle uijt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen. Maar van de ''Waan'' verschilt zij ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alzoo dat men die een gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wille'' genoemt word.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 115] Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze ''Bevestiging'' van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat &amp;lt;sup&amp;gt;55&amp;lt;/sup&amp;gt;eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers ''Wezentlijkheid'' niet aan sijn ''Wezentheid'' is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door &amp;lt;ref&amp;gt;'T is zeeker dat het Bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij. Want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.&amp;lt;/ref&amp;gt; eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de orzaak niet vry is, ziet pag. [fol.] 42-43.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de ''Entia rationis'' als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het ''Ens Rationis'' niet als zodanig maar als een ''ens reale''. Want omdat de mensch nu deze dan die ''Will'' heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man &amp;lt;die man&amp;gt; en die man een Idea maakt van Mensch: en [fol. 116] om dat hij de ''dadelijke wezens'' niet genoeg van de ''wezens van reden'' en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van ''Reden'' aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, [fol. 117] waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, &amp;lt;ref&amp;gt;Nota. Te zeggen: de Idea van de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het ''Verstand'' is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ''Ergo'' de ''Will'' onbepaalt genomen en ook het ''Verstand'' geen wezens van ''Reden'' maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen: Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat ''de Willing'' een ''modificatie'' is van de ''Wil'' en de ''Ideen een wijzing'' van't ''Verstand''; ''ergo'' zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene ''zelfstandigheden''. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hieraf in de wil geen liefde ontstaan: Want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid ''dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid''. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt: Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; dogh |f.117 volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was. Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een ''Chimera'' waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de ''Ziel'' en 't ''Verstand'' en de ''Wil'' bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de [stelling van] een geschapen eijndige selfstandigheid. Maar alleen zal ik toonen kortelijk, dat de ''Vrijheid'' van de ''Wil'' geensins past op zo een geduurige scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word [e]en zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan: Als dit zo is, zo en kan haar genes dings toegeeijgent worden. Maar men moet zeggen, dat God [fol. 118] die geschapen heeft gelijkse is: Want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht? Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word: Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en datt alle Willingen van hem bepaald worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een ''wijze van denken'' : een ''ens rationis'' en geen ''ens reale'', zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. ''Nam ex nihilo nihil fit''. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of ''de wil vrij of niet vrij is''.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waardoor het komt dat men meent dat de Wil iets wezentlyks zy.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;'T welk in deze zaake zeer dikwils gebeurt.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Daar zy nogtans maar een.&amp;lt;br /&amp;gt;''Idea'' is van dit of dat te willen, en geen zaake in de Natuur.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Warom het dan te vergeefs is te vraagen of ze vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. [fol. 118] Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, *maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Voor die gene die maar lett op de beschryvinge die wy van 't verstand gedaan hebben pag. [fol.] 112.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Want de zaak zelfs, en niet wy, bevestig of ontkend in ons van haar zelve.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[6] Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat &amp;lt;sup&amp;gt;56&amp;lt;/sup&amp;gt;haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. *Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen [fol. 119] geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;*Waar uyt het komt dat dit niet waar scheyndt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[7] &amp;lt;sup&amp;gt;57&amp;lt;/sup&amp;gt;Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de ''Waarheid'' en ''Valsheid'' gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien: Want wij hebben gezeid, dat ''het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent''. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door [fol. 120] een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;'T geen hier tegen zoude konnen geseyt worden.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Datter dan geen valschheid is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word beantwoord zo niet te zyn, uyt het geen van de waarheid en valsheid te vooren gezeid is pag. [fol.] 110-111.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Waar in de valsheid van iets bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wie die meest onderwurpen is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[8] &amp;lt;sup&amp;gt;58&amp;lt;/sup&amp;gt;Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de ''Wil'' bij die, die de ''Wille'' stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad. Doch de ''Begeerte'' is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de ''Begeerte'' ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen, 't welk volgens haar zeggen de ''wil'' is en de ''Begeerte'' die neijginge die men eerst &amp;lt;om&amp;gt; daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de ''Begeerte'', maar de ''Begeerte'' niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat men hier nog al tegen kan in brengen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En word beantwoord en getoond waar uyt het voortkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[9] Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk [fol. 121] onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is, alleen onder de ''Begeerte'' en niet als heel oneygen onder de ''Wille'' behore.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVII – Van't Onderscheid tusschen de Wil en Begeerte ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben, laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de ''Wille'' en ''Begeerte'' of wat eigentlijk die ''Wille'' mag zijn, die bij de ''Latinen'' genoemt wordt ''voluntas''. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons 't gelove van het onderscheid tusschen ''Wil'' en ''Begeerte'' geeft. Volgens de vierde uytwerkinge.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Na Aristotelis Beschrijving scheijnt ''Begeerte'' een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Wa[n]t hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de ''Begeerte'' (of ''cupiditas'') alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die ''voluntas'' of goede ''wille'' ; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij ''voluptas'' of kwade ''wille''. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat by ''Aristotelem voluntas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Wat by hem ''cupiditas''.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;En wat by hem ''voluptas''.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] [fol. 122] Zoo is dan nu overig te &amp;lt;sup&amp;gt;59&amp;lt;/sup&amp;gt;onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat ''de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben'', zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Dat de ''Begeerte'' niet vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[4] Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. &lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ''Ex.g.'' Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt: Ziet nu eens of het wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen? Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak? Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders. En die aangenaamheid is het alderbeste, dat hem ooijt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude [fol. 123] dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen. &amp;lt;Wij&amp;gt; Doch deze vrijheid kan geen proef houden. Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;War het mag zyn, dat de lust zoo van 't eene tot het ander beweegt over te gaan.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Word in een voorbeeld aangewezen.&amp;lt;br /&amp;gt;Dat de lust noodzakelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Teegenwerping.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beantwoord.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[5] En daarom gelijkwij in de verhandeling van de ''Wille'' gezeid hebben dat ''de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken''.&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Zo dat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat ''deze of geene Begeerte'' een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar uyt het dan eyndelyk bestaat.&amp;lt;br /&amp;gt;En de Begeerte en is niet anders als deze en die Begeerte. Gelyk van de wil pag. [fol.] 117.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Ongerymtheid, die te volgen staat, zo de Begeerte vry is.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XVIII – Van de Nuttigheid van't voorgaande ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
[fol.124]&lt;br /&gt;
2/18,1 | Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen. 2/18,2 Vooreerst volgt daar uijt, dat wij 60waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn en dat het onse grootste volmaaktheid is zulks noodzakelijk te zijn. Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is't of niet dat wij souden konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor al in tegenstellinge van't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn; en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,3 Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat 61wij na het verrigten van een voortreffelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu &amp;lt;af&amp;gt; al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; strijdende regel regt tegen onse volmaaktheid, die daarin bestaat dat wij altijd verder en verder |f.125 moeten trachten te geraaken) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,4 Ten 62derden &amp;lt;dat wij onse&amp;gt; behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen. Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,5 Ten 63vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best. Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,6 Ten 64vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade passien, de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/18,7 Ten 65zesden: eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke |f.126 alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? En ook wij die in hem leven. 2/18,8 Ook 66brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren. E.g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van sijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot sijn eind en volmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken, dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten en geen dienst meer van hem neemen, even als dan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eijnde en geen Bijl meer zijn. 2/18,9 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. En zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XIX– Van onze gelukzaligheit etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,1 |f.127 De nuttigheeden van dit ware gelove gezien hebbende, zoo zullen wij nu vervolgens onse gedane beloften trachten te voldoen: Namentlijk te onderzoeken, of wij door de 67kennisse, die wij nu al reeds hebben (als van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is en wat in't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wij zeg ik, daar door tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn) konnen geraaken? En ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,2 &amp;lt;ref&amp;gt;Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegste op ons geen magt.&amp;lt;/ref&amp;gt; Om &amp;lt;dat&amp;gt; dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken, zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld, dat als wij ons verstand maar wel gebruijken, gelijk wij (hebbende nu een maate van waarheid en valsheid) seer ligtelijk konnen doen, wij nooijt inde zelve zullen komen te vervallen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,3 |f.128 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En 69voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wij daarom: Omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden. Waar uijt wij dan mede konnen zien of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zullen wij mede vervolgen te spreeken van onse Lievde tot God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,4 Om dan nu te toonen datter een lichaam is inde Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is: De welke wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. En dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is. 2/19,5 |f.129 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan, zoo is dan klaar blijkelljk dat deze uijtwerking van het lichaam, &amp;lt;waardoor wij&amp;gt; door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. En geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,6 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid &amp;lt;als van noodzaakelijke&amp;gt; noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke Hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,7 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn &amp;lt;als de&amp;gt; in ons als de uijt[130werkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om dan eens klaar de Werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa &amp;lt;bij&amp;gt; beijde te zaamen, voorneemen; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,8 Zoo 70wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden. En 71zoodanig zijn deze twe &amp;lt;ref&amp;gt;Twee Wysen : omdat de ruste geen Niet is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Wijzen'' in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve, gelijk e.g. zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen grooter beweeginge hebbende als sijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door iets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,9 Doch 72eeven wel volgens 't geene wij in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een lichaam het welk, |f.131 nu sijn beweginge hebbende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken, gelijk als ik mijn arm uijt strekke, daar door te wege breng, dat de geesten die alreeds haare beweeginge niet en hadden zoodanig, nu nochtans dezelve derwaarts hebben; niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,10 De 75voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat &amp;amp;c. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge. Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, &amp;lt;van&amp;gt; de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of om|f.132dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen. 2/19,11 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zo ontstaat daar uijt Lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele en het lichaam gelijk nu al gezeid is, konnen wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen: En omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alsoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,12 74Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn ver|f.133minderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en de zelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam &amp;lt;het lighaam&amp;gt; te bestieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,13 Zoo veel dan nu gezeid vande werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele. 76De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden. 2/19,14 En omdat &amp;lt;de ziele&amp;gt; het eerste het welke de ziele komt te kennen |f.134 het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word &amp;lt;etc.&amp;gt;. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele. Want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste. En dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene Liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is: Zo volgt daaruijt klaarlijk, Indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden; en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins |f.135 en konnen kennen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,15 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, &amp;lt;namelijk&amp;gt; de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, &amp;lt;ref&amp;gt;Maar waar uijt komt ons dat, dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antw: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan [als van de andere] &amp;lt;als van de andere naar de proportie&amp;gt;. Die dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. En hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't Welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag: Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is.&amp;lt;/ref&amp;gt; het zij of goet of kwaad, daar na word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle |f.136 andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,16 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,17 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren, bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het &amp;lt;ref&amp;gt;Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer konnen in de natuur verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille.&amp;lt;/ref&amp;gt; lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien, maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven het geene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, |f.137 zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/19,18 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; En bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XX – Bevestiginge van't vorige ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,1 |f.138 Aangaande dan 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende swarigheden konnen tegengeworpen worden: 77Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, &amp;lt;datze&amp;gt; dat men de droefheid nochtans door &amp;lt;geene middelij&amp;gt; middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,2 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, * tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel &amp;lt;als&amp;gt; het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De ziel dan als nu &amp;lt;medel&amp;gt; mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die |f.139 de geesten als dan ontfangen. &amp;lt;ref&amp;gt;De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet. Als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wege, dat de geesten zig omtrent het hart voegen en het zelve met behulp van andere deelen prangen en sluijten, recht tegendeelig als in de blijdschap geschied. Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten.&amp;lt;/ref&amp;gt; Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uijt afgenomen worden, &amp;lt;and&amp;gt; om dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,3 |f.140 De 78twede tegenwerpinge kan deze zijn: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, &amp;lt;ref&amp;gt;''Hier is dan geen swarigheid hoe deze eene wijs die oneindig verschild van de ander, in de ander werkt: Want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus :'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens : 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders: Maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. |f.141 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak: Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alder klaarst en onderscheidenst begrijp hebben, doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is, want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereening zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan, want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versâ, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die |f.142 noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons. Tusschen welke een groot onderscheid is: Want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt.&amp;lt;/ref&amp;gt; nogtans kan te weeg brengen, dat de ge[e]sten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen; waarom &amp;lt;dan&amp;gt; zij dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? |f.141 Alsmede waarom ze dan ook niet alle andere lichamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zij wil soude konnen bewegen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Figure 9. KB 75G15 f.140 KB 75G15 f.140 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,4 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze swarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens |f.142 hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was, &amp;lt;ref&amp;gt;'T is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. |f.143 En nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. En om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte, die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen, en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ook datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (''idea reflexiva''). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren.&amp;lt;/ref&amp;gt; de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn: Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus sijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. |f.143 En hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen; want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. En hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/20,5 |f.144 De derde 79tegenwerpinge kan deze zijn: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij moede te zijn, het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. 2/20,6 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXI – Van de Reede ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds &amp;lt;sup&amp;gt;80&amp;lt;/sup&amp;gt;alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Waar door het komt dat wy gezien hebben de zaake goet somtyds magt hebben, die uyt te werken, en somtyds weder niet, als ook om het kwaad te laaten.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[2] Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de [fol. 145] oorzaaken die wij van de ''opinien'' gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn ''of door hooren zeggen of door ondervinding''. En dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons ''van buijten aankomt'', so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die &amp;lt;ref&amp;gt;En het zal't zelve zijn of wij hier 't woord ''opinie'' of ''passie'' gebruijken. En zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen: Want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of &amp;lt;oneijndelijke&amp;gt; onmiddelijke ''vereeniginge'' van iets 't geen wij voor goet oordelen. En de reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de ''Reeden'' aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moeter iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: en dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet en onmiddelijk daarop volgt. Doch dat dit kwaad zo niet altijd noodzaakelijk volgt, leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''opinien'' die wij alleen van hooren seggen hebben: En dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. [fol. 146] Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben:&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat ons om dit te verstaan nodig zy in acht te nemen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Door de reden konnen de opinien of de waan, die van horen zeggen komt, wel vernietigt werden. Een waarom. Doch geenzins kan de reden de waan, die door ondervinding is, weg neemen en de reeden waarom.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[3] Want de mogelijkheid die ons [de] zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. [fol.] 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voort komt.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;En hier om is zo dikwyls gezeid, dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt ; daar door uytsluytende de begeerte, om datze niet, gelyk de liefde, uyt ware kennisse, maar uyt redenering herkomt.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[fol. 145 bis]&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXII – Van de waare Kennisse, Wedergeboorte, enz ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,1 |f.145bis Aangezien dan de &amp;lt;ref&amp;gt;Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden. Alleen dan de derde manier is 't, namelijk de Waare Kennis die ons hier van vrij maakt. En zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt konnen worden gelijk nu gevolglijk pag... zal aangeweezen worden. Zoude dit het niet wel zijn daar aandere onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven? Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de Waan de Zonde, onder het gelove de Wet die de Sonde aanwijst en onder de Waare kennisse de Genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?&amp;lt;/ref&amp;gt; reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en 81leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken? Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,2 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen. In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen, maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want |f.146bis ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als is of volmaaktelijk. En nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,3 Dat deze vierde kennisse die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word: Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,4 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks &amp;lt;ref&amp;gt;En hierdoor word met een verklaart het gene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de Zone Gods noem&amp;lt;en&amp;gt;den. Want aangezien dat God van eeuwigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke Idea voorwerpelijk overeenkomt met hem zelfs; vide pag. [fol. 55].&amp;lt;/ref&amp;gt;. En na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is |f.147 ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/22,5 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de ''Idea'' &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is onze ziel, zynde een Idea van't lichaam, heeft uyt het lichaam syn eerste wezen ; want ze is maar een reprezentatie van't lichaam, zo geheel als byzonder in de denkende zaak.&amp;lt;/ref&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
|f.148 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt. 2/22,6 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. En alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is) zullen en moeten zijn de sodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande, want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word. 2/22,7 En 83wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, |f.149 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. En dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestendigheid, zo wij zullen betonen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIII – Van des Ziels Onsterfelykheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |[1] Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de ''Ziele'' is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij.&amp;lt;br /&amp;gt;[fol. 150] De ziele dan hebben wij gezeid te zijn ''een Idea'' die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks &amp;lt;onts&amp;gt; die in de Natuur is ontstaande. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele ''kan vereenigt worden'' of ''met het lichaam'' van het welke zij de Idea is, of ''met God'', zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Wat het is daar uyt wy lichtelyk konnen zien de onsterfelykheid van de ziele.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;Beknopte beschryvinge van de ''Ziele'' en haar oorzaak. Wat daar uyt komt te volgen.&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;De Ziele kan vereenigen met het licham, en ook met God.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot;|[2] Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan. Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [fol. 151] te niet gaan ? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Zo met het lichaam ?&amp;lt;br /&amp;gt;Wat daar uyt dan volgt, namelyk dat ze vergankelyk is.&amp;lt;br /&amp;gt;Soo met God, wat dan daar uyt volgt ; namelyk dat ze onvergankelyk is. En de noodzaakelykheid waarom het zo moet zyn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXIV – Van Gods Liefde tot de Mensch ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid. 85So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. |f.152 2/23,2 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig souden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven Zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit |f.153 is de ongerijmtheid zelve. 2/23,3 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben, aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 En hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden, als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige |f.154 aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is. 2/23,5 En om kortelijk hier af iets te zeggen: 88alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,6 89Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. 90De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten |f.155 van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken. ex. gr. Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken. 2/23,7 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse |f.156 van God komt. En deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur, 2/23,8 van welke de eene noodzakelijk is en de ander niet: Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap &amp;lt;die&amp;gt; met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,9 Dewijle wij dan &amp;lt;een&amp;gt; zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht &amp;lt;ko&amp;gt; mogen vraagen, hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,10 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als |f.157 dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. En het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
En zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken. 2/23,11 93En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk: Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat &amp;lt;dat&amp;gt; dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch |f.158 verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve. 2/23,12 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan 1. omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen alles 't geen wij tot hier toe klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden; 2. dat wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? 2/23,13 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans |f.159 onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn. Want of'er om dit voort te brengen veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of'er maar een eenige is geweest, hoe konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen? Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXV – Van de Duyvelen ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.160 95Van de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,2 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,3 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan. En zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? |f.161 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/23,4 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen, waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen, dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. XXVI – Van de waare Vryheid, etc. ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,1 |f.162 Met de stellinge van't voorgaande hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn, 97Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken, in ons zelve zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,2 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse geluk&amp;lt;zaling&amp;gt;zaligheid moeten geraaken. En hoe de passien vernietigt moeten werden. Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word, dat namelijk dezelve alvooren moeten bedwongen worden, eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken. Dats eeven zo veel als of men wilde dat iemand &amp;lt;&amp;gt;zijn onweten&amp;gt; die onweetende is, eerst sijn onweetenheid soude moeten verlaten, al eer hij tot kennisse zoude konnen komen. Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der |f.163 zelver, gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,3 Alzoo dat alschoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben, maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,4 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht, zeggen. Namelijk, bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, zij als dan haar zelfs best zouden zoeken: even als'of zij iets dat beter |f.164 was als God zouden uijtvinden. Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders seggen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,5 Soo zien wij dan dat wij om te bereijken de waarheid van't geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste, geen eenige andere beginzelen van noden hebben als alleen dit, namelijk ons eijgen voordeel te behartigen, een zaake in alle dingen zeer natuurlijk. En aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zinnelijkheeden, wellusten en wereldsche dingen ons heijl in dezelve niet en bekomen, maar in tegendeel ons verderf, zo verkiezen wij hierom het bestuur onzes verstands. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken. En omdat wij hem (na |f.165 voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten. Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. En dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,6 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen, of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,7 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat. Om het welke te doen, ik van deze navolgende |f.166 stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de &amp;lt;leij&amp;gt;lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n]nerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen verniet&amp;lt;en&amp;gt;igen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Al wat niet en is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken, dat en kan ook dan met dezelve geen gemeenschap hebben en dienvolgende en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden. En uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze |f.167 sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. En dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden: noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is: Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,8 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten. Voor eerst dan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: En voor zo veel te meer ook |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e steling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.168 vrij van verandering en verderving. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Het waare verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve kan het geen oorzaak hebben om zich te doen vergaan volgens de 2e stellingh. En om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen, volgens de 3e stelling. En aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht, en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft, volgens de 4e stelling. Nu deze sijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want de wijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling, en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken zijn voor zo veel meer volmaakt, als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen |f.169 om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte alder naast, als bij voorbeeld, zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. [Dit's klaar.] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken. Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat sijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2/24,9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke &amp;lt;ref&amp;gt;De slaverny van een zaake bestaat in onderworpen aan uytterlyke oorzaaken ; de vryheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevryd te zyn.&amp;lt;/ref&amp;gt; vrijheid, die ik dan aldus beschrijf te zijn. Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich |f.170 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch sijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. En dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Besluyt ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{|cellspacing=&amp;quot;30&amp;quot; valign=&amp;quot;top&amp;quot;&lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;60%&amp;quot; |Soo is mij dan alleen noch overig om een eijnd van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen: En verwonderd u niet over deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake niet daarom en laat waarheid te zijn om dat zij niet van veele en is aangenomen en de wijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven. Soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge [fol. 171] te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen. Ik en wil niet zeggen dat gij die ten eenen maal zult bij U houden, maar alleen zo gij ooijt aanvangt die aan jemand gemeen te maaken, dat u geen ander oogmerk en drijve als alleen het heijl uwen naasten met eenen door baarblijkelijkheid van hem verzekerd zijnde dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen. Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft. &lt;br /&gt;
| valign=&amp;quot;top&amp;quot; width=&amp;quot;30%&amp;quot; |&amp;lt;small&amp;gt;Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hy dit tractaat, op haar verzoek, heeft gedicteert ; en daar mee het besluyt van alles.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
|}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ΤΕΛΟΣ&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Het_eerste_Deel,_van_God_en_%27t_geen_aan_hem_aanhoorig_is</id>
		<title>Het eerste Deel, van God en 't geen aan hem aanhoorig is</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Het_eerste_Deel,_van_God_en_%27t_geen_aan_hem_aanhoorig_is"/>
				<updated>2013-12-10T17:18:54Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : /* Cap. X – Wat Got en Kwaad is */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;== Cap. I – Dat God is ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[1] Belangende dan het eerste namenlijk ''of'er een God is?'' Dat zeggen wij te konnen bewezen worden voor eerst (''a priori'' of) van vooren aldus: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. &amp;lt;sup&amp;gt;1&amp;lt;/sup&amp;gt; ''Alles wat wij klaar en onderscheiden verstaan aan de'' &amp;lt;ref&amp;gt;Verstaat de bepaalde natuur door de welke de zake is dat ze is en dat van haar in generlij wijze kan afgescheide worden zonder ook met een die zaak te vernietigen: als dat tot het wezen van een Berg behoort dat hij een dal hebbe of 't wezen van de Berg is dat hij een daal hebbe, hetwelk waarlijk eeuwig en onveranderlijk is en altijd moet zijn in 't concept van een Berg, schoon hij nooit was of is.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen:'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;2&amp;lt;/sup&amp;gt; ''Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en onderscheidentlijk verstaan. Ergo.'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[2] Anderzints ook aldus: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. ''De'' &amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt; ''wezentheeden van de zaaken zijn van aller Ewigheid en zullen &amp;lt;van&amp;gt; in alle ewigheid onveranderlijk blijven:'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De wezentlijkheid Gods is wezentheid. ERGO.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[3] (''A Posteriori'' of) van agteren aldus: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;4&amp;lt;/sup&amp;gt; ''Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet'' &amp;lt;ref&amp;gt;Uijt de beschrijvinge hierna van dat God oneijndige eijgenschappen heeft konnen wij sijne wezentheijd aldus bewijzen: al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word: also dat tusschen de Idea en het Ideatum een groot onderscheid is en daar om dat het geene dat men bevestigt van de zaak, dat en bevestigt men niet van de Idea et vice versa.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''God formelijk zijn'': &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;sup&amp;gt;5&amp;lt;/sup&amp;gt; ''Maar de mensch heeft een Idea van God. ERGO.'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[4] Het eerste bewijzen wij aldus: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Als'er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn &amp;lt;maar de mensch&amp;gt; en in zig vervatten alles wat de Idea voorwerpelijk heeft: Maar daar is een Idea van God: ERGO.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[5] Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wijze volgende grond regulen, te weten: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. ''Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn''; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. ''Dat een eijndig verstand het oneijndige niet kan begrijpen''; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. ''Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald wordt, niet en kan verstaan; omdat gelijck'' [fol.2] ''het geen magt heeft alles gelijkelijk te verstaan, alzo wijnig heeft het ook magt om te konnen Exempli gratiâ'', dit eer als dat of dat eer als dit beginnen of aanvangen te verstaan. Het eerste &amp;lt;dat&amp;gt; dan nog ook het tweede niet konnende, zo en kan het niets.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[6] De eerste (''of major'') wordt aldus bewezen: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude &amp;lt;hij&amp;gt; het onmogelijk zijn, dat hij iet zoude konnen begrijpen. Maar hij kan iet begrijpen: Ergo. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[7] Het eerste wort bewezen door de eerste grond regel: namelijk ''Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn''. en volgens de tweede grondregel en kan hij niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is en door geen uijtterlijke dingen bepaald wordende om dit eerder als dat, en Dat eerder als Dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het volgens de derde regel iets zoude konnen verstaan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[8] &amp;lt;ref&amp;gt;Vorders te zeggen dat deze Idea een verzieringe is, dat is ook vals: want het is onmogelijk die te hebben zoo z'er niet en is: en dit word hier nu getoont pag.2. daar wij dit nog bij doen. Het is wel waar, dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen, en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde, dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke zij aftreksels zijn, gekend te hebben. Doch eens gesteld dat deze Idea een versierzel is, zoo moeten dan alle  * ''ander  Ideas'' die wij hebben, niet min versiersels zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Dit zo zijnde, ''van waar'' dan komt ons in dezelve so groot een onderscheid? Want Wij zien eenige die het onmogelijk is dat ze zijn: e.g. alle monsterdieren die men van twee naturen zoud t'zamen zetten als een dier dat een Vogel en een paard zoude zijn en diergelijke, die onmogelijk in de Natuur, die wij bevinden anders te sijn gesteld, plaats konnen hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;* ''Andere Ideas'' : wel mogelijk maar niet noodzakelijk datze zijn: van de welke nochtans of ze sijn of niet zijn, haar wezen altijd noodzaakelijk is: als de Idea van een driehoek en die van de liefde in de ziel sonder 't lichaam enz. Alsoo dat alschoon ik eerst dacht, dat ik die verzierd hadde, daarna nochtans gedwongen worde te zeggen dat sij niet te min hetzelve zijn en zouden zijn, schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde. En hierom dan en zijn zij van mij niet verzierd en moeten ook buijten mij een subjectum hebben het welk ik niet en ben, zonder welk subjectum sij niet en konnen zijn. Boven deze isser noch een derde idea en die is maar een eenige en dese brengt met zig een noodsakelijk zijn en niet als de voorgaande alleen datze kan zijn: want die haar wesen was wel noodzakelijk, maar niet haar wezent[lijk]heid: maar van dese is de wesent[lijk]heid ende het wesen beijde noodzakelijk en is zonder deselve niet. Also zie ik dan nu, dat van mij geen waarheid, wesen, of wesentheid van eenige zake afhangt: want als in de tweede soorte van Ideen getoont is, zonder mij zijn zij't geene datze zijn: of na't wesen alleen, of na't wesen en de wesentlijkheid beijde. En zo ook dan, ja veel meer bevinde ik dit waar te zijn in deze derde eenige Idea en dat niet alleen dat het van mij niet af en hangt, maar in tegendeel dat hij alleen moet zijn het subjectum van't geen ik van hem bevestig. Alsoo dat indien hij niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestigen gelijk nogtans van de andere dingen schoon zij niet wesentlijk zijn, gedaan word: ja ook dat hij moet zijn het ''subjectum'' van alle andere dingen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Behalven dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea van oneijndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is, so zullen wij dit volgende noch daar bij doen:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. En deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen: Want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij in ons ''zulks iets'' het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden. En van waar is deze Idea van volmaaktheid? Dit zulks ''iets'' dan en kan niet voortkomen van deze twee: Want twee en geeft maar twee en geen oneijndige, ergo dan van Waar? Van mij altijd niet, of ik most ook dat ik niet hadde konnen geven. Vanwaar dan anders als van de oneijndige eigenschappen zelve, die ons zeggen dat z'er zijn zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zij zijn. Want van twee en weten wij maar wat zij zijn.&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;/ref&amp;gt; Uijt alle het welk dan het twede bewezen word, namelijk ''Dat de oorzaak van de Idea des mensche niet is sijne verzieringe maar eenige uijtwendige oorzaak'', die hem dringt het eene eerder als het andere te verstaan, Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is. Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtstekentlijk, aangezien boven of buijten hem niet wezentlijker of voortreffelijker is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[9] Dat nu de mensch de Idea van God [fol.3] heeft, zulks is klaar, dewijl hij sijne &amp;lt;ref&amp;gt;''Syne eigenschappen'' : beter is't, dewijl hy 't geen aan God eigen is verstaat; want die dingen sijn geen eigenschappen Gods. God is wel zonder deze geen God, maar niet door deze, dewijl ze niet zelfstandigs te kennen geven, maar sijn alleen als adjectiva die substantiva vereischen om verklaart te worden.&amp;lt;/ref&amp;gt; eijgenschappen verstaat, welke eijgenschappen van hem niet konnen voortgebragt worden, omdat hij onvolmaakt is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Maar dat hij nu deze eigenschappen verstaat, is hier uijt blijkelijk, dat hij namelijk weet, dat het oneijndige van geen verscheide bepaalde deelen kan tezamengezet worden: datter geen twee oneijndelijke en konnen zijn, maar ''Een Eenig'': dat het volmaakt en onveranderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelfs haar eijgen vernietinge zoekt: en meede, dat het tot of in iet beters [niet] kan &amp;lt;ref&amp;gt;De oorzaak van deze veranderinge zoude moeten zijn van buyten of in haar: Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af: ergo geen verandering daarvan onderwurpen. Ook niet in haar, want geen zaak veel min deze wil zijn zelfs verderf. Alle verderf is van buyten aankomende.&amp;lt;/ref&amp;gt; veranderen, aangezien het volmaakt is, 't welk het als dan niet en zoude zijn. Of ook dat het zulks niet kan onderworpen zijn door iet dat van &amp;lt;buijten&amp;gt; buijten komt, nadien het almagtig is, enz.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[10] Uijt dit alles dan volgt klarlijk, datmen en (a prioiri) van vooren en (a posteriori) van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori. Want de dingen die men als zodanig bewijst, moet men door haar uijtterlijke oorzake betonen, het welke &amp;lt;is&amp;gt; in haar is een openbaare onvolmaaktheid, als de welke hun zelve door hun zelve niet en konnen te kennen geven, maar alleen door uijtterlijke oorzaaken. Dog God, de eerste oorzaak aller dingen en ook de oorzaak sijns zelfs, die geeft hem zelve te kenne door hem zelve. Weshalven van niet veel belang is het segge van ''Thomas Aquina'', namentlijk dat God a priori niet en |f.4 zoude konnen beweezen worden, om dat hij kwansuijs geen oorzaak heeft.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. II – Wat God is ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Nadat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wat hij is, namelijk hij is zeggen wij, ''een'' &amp;lt;ref&amp;gt;De reden is omdat de Niet geen eigenschappen konnende hebben, de Al dan alle eigenschappen moet hebben: en zo dan de Niet geen eigenschappen hebbende omdat hij niet is, zo heeft de Iet eigenschappen omdat hy Iet is. Ergo dan hoe meer Iet is hoe hij meer eigenschappen moet hebben en dienvolgende dan God de volmaakste, de oneijndige, de alle Iet zijnde, zo moet hij ook oneindige, volmaakte en alle eigenschappen hebben.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''wezen'' van de welke alles ofte oneijndelijke eijgenschappen gezeijd worden, van welke eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Om dan onze meeninge in dezen klaar uijt te drukken zullen wij deze vier navolgende dingen vooraf zeggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. &amp;lt;ref&amp;gt;Konnende dan bewijzen datter geen Bepaalde Selfstandigheid kan zijn, zo moet dan alle Selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben: niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben. Van een ander isse ook niet bepaalt: Want die moet zijn bepaald of onbepaald; niet het eerste, ergo 't leste, ergo 't is God. Deze dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak: maar 't eerste is tegen de almachtigheid, het tweede tegen de goedheid. 2. Datter [gee]n Bepaalde zelfstandigheid kan zijn is hier uijt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude moeten hebben, dat ze van de niet heeft, 't welk onmogelijk is. Want van waar heeft ze dat daar in ze verschilt van God? Niet van God altijd, want die en heeft niet onvolmaakts of bepaalts enz. Ergo dan van waar als van de Niet? Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Waar uijt volgt, datter geen twee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn: Want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En uijt deze volgt weder, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. Aldus: de oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben de zelfde eigenschap van dese voortgebrachte en ook of eeven zo veel volmaaktheid of meerder, of minder. Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet. Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;En uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen.&amp;lt;/ref&amp;gt; Datter geene bepaalde selfstandigheid en is, maar dat alle selfstandigheid in sijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid volmaakter kan sijn als die alreeds inde Natuur is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Dat&amp;quot;er ook geen twe gelijke selfstandigheeden zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. Dat d'eene selfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid is als die formelijk inde Natuur is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Wat dan aangaat het 1. namelijk dat'er geen bepaalde selfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel |f.5 des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wij aldus, te weete: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet onbepaalder heeft willen maaken: dan of zij sodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen; en dat zo een zelfstandigheid die door zig zelfs geweest is, ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] Voorder indien zij dan door haar oorzaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat &amp;lt;zy&amp;gt; die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven; Dat hij niet meer zoude hebben konnen, zoude strijden tegen sijn almagtigheijd, &amp;lt;ref&amp;gt;Hier op te &amp;lt;antwoorden&amp;gt; zeggen dat de Natuur van de zaak zulk vereischte en derhalven niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam. En hier in is 't onderscheid tusschen scheppen en genereren. Scheppen dan is een zaake daarstellen quoad essentiam et existentiam simul maar genereren is dat een zaake voortkomt quoad existentiam solum. En daarom isser nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de zaak met de zaak gelijk. En zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen. Doch 't geen wij hier scheppen noemen, en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan te wijzen, wat wij tusschen scheppen en gene[reren] on[derscheid] stel[lende, daar] van [konnen zeggen.]&amp;lt;/ref&amp;gt; ''dat hij'' niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Het tweede belangende, ''Datter geen twe gelijke selfstandigheden zijn'', bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslagte volmaakt is, want zo'er twee gelijke [fol. 6] waren, zo most noodzaakelijk de een de andere bepaalen en dienvolgende niet oneijndelijk zijn, gelijk [wij] al voor dezen bewezen hebben. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid d'ander niet en kan voortbrengen: zo weederom iemant het tegendeel mogt staande houden, da&amp;lt;t&amp;gt;[n] vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eijgenschappen van het voortgebragte heeft of niet en heeft?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] Niet het laatste is, want van de Niet kan geen Iet voortkomen: Ergo dan het eerste. En dan vraagen wij voorder of in die eijgenschap die oorzaak zoude zijn van dit voortgebragte, even zo veel volmaaktheijd is, of datter minder of datter meerder in is&amp;lt;?&amp;gt; als in dit voort gebrachte? Minder kander niet in zijn om reeden vooren, meerder ook niet zeggen wij, omdat als dan deze tweede bepaald zoude zijn, hetwelk strijd tegen 't geen nu al van ons bewezen is. Ergo dan even zo veel, ergo dan gelijk en twee gelijke zelfstandigheeden klaarlijk |f.7 strijdende met ons voorige bewijs.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] Verder, 't geene geschapen is en is geenzins voortgekoomen vande Niet, maar moet noodzaakelijk van hem die wezentlijk is, geschapen zijn. Maar dat van hem iets zoude voortgekomen zijn, 't welke iets hij niet als dan en zoude minder hebben nadat het van hem is voortgekomen, dat en konnen wij met ons verstand niet begrijpen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[10] Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak ''et sic in infinitum'', zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[11] Ten vierden, dat er ''geen selfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn'', dat kan en word van ons bewezen 1. Uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem [fol. 8] geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene &amp;lt;mee&amp;gt; eerder of meerder als 't ander te scheppen. 2. uijt de eenvoudigheijd van zijne wille. 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hier na zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het soude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. En dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn. Het welke ongerijmt is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[12] Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen, van de welke een ieder des zelfs in sijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men aan God geeft.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[13] Tegen 't geene [dat] wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is, als 't geen formelijk inde Natuur is, willen eenige op deze wijzen |f.9 argumenteren: Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hij niet meer scheppen. Maar dat hij niet meer zoude konnen scheppen streijd tegen sijn almogentheijd. ''Ergo''.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[14] Het eerste belangende, wij staan toe dat God niet meer kan scheppen. En wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij be&amp;lt;k&amp;gt;kennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen sijn almogentheid, maar geenzins indien hij niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is, gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft en evenwel nog meer zoude konnen scheppen. En zeker het is een veel grooter volmaaktheid in God, dat hij alles wat in sijn oneijndelijk verstand was, geschapen heeft als dat hij het niet en zoude geschapen hebben, noch nooijt zo zij spreeken, zouden hebben konnen scheppen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[15] En waarom dog hier van zo veel gezeijd? &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is wanneer wij haar uijt deze bekentenisse ''van dat God alwetende is, doen argumenteren'', dan en kunnen zij niet als aldus argumenteren.&amp;lt;/ref&amp;gt; En argumenteren zij zelve niet aldus off en moeten zij niet aldus argumenteren: Indien God alwetende is, zo |f.10 en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen sijne volmaaktheid: ''Ergo''.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door sijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten, wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde heeft voortgebragt, en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[16] Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat'er geen oorzaak is, waarom dat hij dit eerder en meerder als dat zoude geschapen hebben, en alles konde in een ogenblik voortgebracht hebben, zo laat ons dan een[s] zien of wij niet tegen haar even de zelve wapenen konnen gebruijken, die zij tegen ons aanneemen. Aldus namelijk: Indien God nooijt zo veel kan scheppen of hij zoude nog konnen meerder scheppen, zo kan hij nooijt scheppen 't geen hij kan scheppen, maar dat hij niet kan scheppen 't geen hij kan scheppen, is strijdig in zig zelve. ''Ergo''.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[17] [fol. 11] De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door het welke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden, en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zoo veel eijgenschappen moetmen het &amp;lt;oog&amp;gt; ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijk zijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. om de eenigheid die wij alom in de natuur [fol.12] zien. Inde welke &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden: zo dan war de vereeninge onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtans bestaan.&amp;lt;/ref&amp;gt; zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn. &amp;lt;ref&amp;gt;Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootaaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben.&amp;lt;/ref&amp;gt; En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Dat de uytgebreydheid een eygenschap van God is,word bewezen&amp;lt;/small&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[18] Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn, dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen [fol. 13] bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[19] Waarop wij antwoorden:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen wezens van reeden en dien volgende en zijn &amp;lt;ref&amp;gt;In de natuur dat is in de ''zelfstandige uijtgebreidheid'': want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is. Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd. Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde. Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is. Niet het twede, want dan wass'er wijze, die'er niet kan zijn, want de uijtgebreidheid als uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze. Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de ''uijtgebreidheid'' geheel.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''in de Natuur'' nog geheel nog deelen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel soo als 't samengezet is daar toe van nooden is. Desgelijks meede in het water het welke van regte lankwerpige bestaat, kan ijder deel deszelfs bevat en verstaan worden en bestaan zonder 't geheel; Maar de [fol. 14] uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien se nog kleijnder nog grooter kan worden en geen deelen des selfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn. En dat ze nu zodanig moet zijn, volgt hier uijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is, maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd: Dog dat in een oneijndelijke natuur deelen zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijndelijk.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[20] Doet hier nog bij: indien zij van verscheijde deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden: een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke door zijn eijgen natuur oneijndig is en nooijt bepaald off eijndig kan zijn off verstaan worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[21] Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de [fol.15] wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve, welke wijsen nu van 't water, dan van wat anders altijd het zelve is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[22] De deeling dan of lijdinge geschied altijd in de wijse: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan vande mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel en wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt &amp;lt;zelve&amp;gt; zelve.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[23] Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is. En dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van dat geene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt, het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[24] Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[25] Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een Doender als een Leijder genoemt worden. En met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord. [fol. 16] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[26] Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan. En aangezien het klaarlijk blijkt, datter inde Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, &amp;lt;van een&amp;gt; nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[27] Dog ligt is het voor ons hier op te antwoorden; want wij staan toe, dat indien het lighaam een zaake was door zig zelfs bestaande en anders geen eijgenschap en hadde als lang, breet, en diep, dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn indien het &amp;lt;waarlijk ruste&amp;gt; waarlijk ruste, om zig zelfs te beginnen te bewegen: Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[28] Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wij van sijn eijgenschappen maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn maar bestaan in twee namelijk Denking en Uijtgebreijdheid: want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die [men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke &amp;lt;hij hem&amp;gt; wij hem in zig zelf en niet als werkende buijten zig zelfs komen te kennen. [fol. 17] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[29] Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming, gelijker wijs als dat hij is door zig zelfs bestaande, Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz. ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een Oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[30] Edog hoe en op wat wijze &amp;lt;ref&amp;gt;Vide pag. [fol. 47] et seq. cap. 7.&amp;lt;/ref&amp;gt; deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen. Maar tot een beter verstand dezes en naader opening hebben wij goet gedagt, deze volgende reedenen hier bij te voegen: bestaande in een &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
===Zamenspreeking&amp;lt;br /&amp;gt;tusschen het Verstand, de Liefde, de Reede, en de Begeerlijkheid&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;===&lt;br /&gt;
. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] '''Liefde''' — Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid en nadien de volmaaktheid van het voorwerp 't welk [fol. 18] gij begrepen hebt uwe volmaaktheid is, en uijt de uwe weeder de mijne hervoortkomt, zo zegt mij eens, ik bid u, of gij zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets anders bepaald worden en in het welk ik ook begrepen ben?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] '''Verstand''' — Ik voor mij en aanschouw de Natuur niet anders als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt en gij zo [gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] '''Reeden''' — De waarheid hier van is mij ontwijffelijk: want zo wij de Natuur willen bepaalen, zo zullen wij hem, 't welk ongerijmt is, met een Niet moeten bepaalen [welke ongerijmtheid wij ontgaan stellende dat hij is] [Een, Eeuwig, door zig zelfs oneindelijk,] [en dat onder deze volgende eijgenschappen,] namelijk dat hij is Een, Eeuwige Eenheid, oneindig, almagtig, enz. De Natuur namentlijk oneijndig en alles in dezelve begreepen: en de ontkenninge dezes noemen wij de Niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] '''Begeerlijkheid''' — En dog dit rijmt zig alwonderlijk, dat de Eenheid met de Verscheidentheid die ik alomme in de Natuur zie, te zamen overeen komt. Want hoe? Ik zie dat de Verstandige Zelfstandigheid [fol. 19] geen gemeenschap heeft met de Uijtgebreide Selfstandigheid en dat d'een de andere bepaald.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] En indien gij buijten deze twee Zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij u zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren: het welk immers in een geheel buijten 't welk geen ding is, geen plaats kan hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Daar en boven zo dit wezen almagtig is ende volmaakt, zo zal het zodanig dan zijn, om dat het zig zelfs en niet omdat het een ander heeft veroorzaakt; en nogtans zoude hij almagtiger zijn, die dewelke en zig zelve en daar en boven nog een ander konde voortbrengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] En eijndelijk indien gij 't alwetende noemd, zo is 't noodzaakelijk dat het zig zelfs kenne en met een moet gij verstaan, dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis van zig zelfs [fol. 20] te zamen met de kennisse van de andere zelfstandigheeden. All het welk openbaare tegenstrijdigheden zijn. En daarom wil ik de Lievde geraaden hebben, dat zij zig gerust houde met het gene ik haar aanwijze en na geen andere dingen om te zien. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] '''Lievde''' — Wat dogh, O Eerlooze, hebt gij mij aangeweze anders als datgene uijt het welke terstond mijn verderf gevloeijd is? Want zo ik mij ooit met datgene 't welk gij mij hebt aangewezen hadde vereenigd, aanstonds was ik vervolgd geweest van twee hooft vijanden des menschelijken &amp;lt;geslagts&amp;gt;geslaghts de Haat namentlijk en het Berouw en van Vergeetenheid ook meenigmaal; en alzo keer ik mij andermaal tot de Reeden en dat hij maar voortgaa en aan deze vijanden den mond stoppe.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] '''Reeden''' — Dat gij dan, O Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden te zien, dat is zeg ik u, valsch: Want klaarlijk zie ik dat'er maar een Eenige is, de welke door zig zelve bestaat van alle de andere eigenschappen een onderhouwder is. En bijaldien gij [fol. 21] dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen Zelfstandigheeden in opzigt van de Wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de Zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelvs bestaande en worden zij van u niet begrepen: En op dezelve manier, als het willen, gevoelen, verstaan, beminnen, enz. verscheijde wijzen zijn van 't geen gij een denkende Zelfstandigheid noemd, die gij alles tot een brengt en van alle deze een maakt; alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat En de Oneijndige Uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen (of volgens uw stijl andere Zelfstandigheeden) niet anders zijn als wijzen van dat Eenige, Eeuwige, Oneindige, door zig zelvs bestaande Weezen; en van alle deze stellen wij als gezeid, Een Eenige ofte Eenheid, buijten welke men geen zaake verbeelden kan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[10] '''Begeerlijkheid''' — In deze uwe manier van spreken zie ik, zo mij dunkt, een zeer groote verwerringe; want [fol. 22] gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zijn buijten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[11] Daar en boven zo ik uijt u Exempel afneem, zo vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, Het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende &amp;lt;zaak&amp;gt; kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Lievde, enz. afhangd. En gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de Uijtwerkselen van U nu al ge&amp;lt;kend&amp;gt;noemd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[12] '''Reede''' — Ik zie vast hoe gij tegen mij alle uwe vrunden te zamen roept en alzo 't gene gij niet vermogt hebt met uwe valsche reedenen uijt te werken, dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden gelijk gemeenlijk het werk is der genen, die zig teegen de waarheid kanten. Dogh 't en zal u om door dat middel de Lievde [fol. 23] tot U te krijgen, niet gelukken. Uw zeggen dan is, dat de oorzaak (aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwerkzelen) derhalven buijten dezelve moet zijn. En dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de Oovergaande en niet van de Inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve voortbrengd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bijvoorbeeld. Het Verstand, het welk oorzaak is van sijn begrippen, en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak: En wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Tweede Zamenspreekinge===&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;Dienende eensdeels tot dat voorgaande,&amp;lt;/div&amp;gt; &amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;ander deels tot het twede Navolgende Deel,&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align:center;&amp;quot;&amp;gt;tusschen ERASMUM en THEOPHILUM.&amp;lt;/div&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] '''Erasmus''' — Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarbij dat hij geen [fol. 24] andere oorzaak kan zijn, als een inblijvende. Indien hij dan een Inblijvende oorzaak is van alle dingen. Hoe dan kond gij hem een Verder oorzaak noemen? Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] '''Theophilus''' — Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een Verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, de welke God, zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid, onmiddelijk heeft voort gebragt, maar geenzins dat ik hem absoluijt een Verder oorzaak hebben genoemt: Hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen. Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] '''Erasmus''' — 'T geen gij mij wilt zeggen, verstaa ik nu genoegzaam; Maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. En indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn. [fol. 25] Want zo hij en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd. Neemt mij, ik bidde u, deze twijffel weg.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] '''Theophilus''' — Zo gij, Erasme, uijt deze verwarring wild geraaken, zo neemt eens wel in acht het geen ik u hier zal zeggen. Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt; maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] Ik zal u, op dat gij mij te beter zouwd verstaan, een voorbeeld stellen. Een beeldhouwer die heeft van houwt gemaakt verscheijde gedaante, na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken lighaams; hij neemt een van deze, 't welk de gedaante heeft van een menschelijke borst, hij voegd het te zamen met een ander, dat de gedaante heeft van een menschelijk hooft en maakt van deze twee een geheel hetwelk het bovenste gedeelte van een menschelijk lighaam vertoond; zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog. Want het is het zelfde dat het te vooren was.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Tot meerder klaarheid zal ik u een ander [fol. 26] voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld, het welk ik hebbe van een driehoek en een ander ontstaande door uijtstrekking van een van de hoeken, welke uijtgestrekte of uijtstrekkende hoek noodzaakelijk gelijk is met de twee teegen gestelde innerlijke, en zo voort. Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken &amp;lt;gelijk&amp;gt; van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met &amp;lt;de&amp;gt; het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] En van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met &amp;lt;de&amp;gt; het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar in teegen deel zonder de minste verandering blijft. En hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt? Daar gij zelve in het voorgebeelde waaraf wij nu spreeken, dit klaarlijk kond zien. Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en [fol. 27] om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] Doet hier bij dat het Geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van 't algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare; en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[10] '''Erasmus''' — Zoveel dit belangd hebt gij mij voldaan. Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; het welk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van de gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, [fol. 28] heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van de gevrogte welker wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem. En hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[11] Dogh dit en voldoet mij niet. Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd. Nu dan het is onmogelijk, dat 'er meer van nooden is geweest om een zodanig verstand voort te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te Zijn een Wezen van zo een uijtsteekende volmaaktheid, zo moet het alzo wel als alle andere dingen die onmiddelijk van God afhangen, van eewigheid geschapen zijn. En zo ik mij niet bedrieg, ik heb het u hooren zeggen. En dit dan zo zijnde hoe zult gij dit zonder zwarigheid over te laaten, rondschieten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[12] [fol. 29] '''Theophilus''' — 'T is waar, ERASME, dat de dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn. Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere Wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de Zaak zouden voortbrengen en andere omdat de Zaak zoude konnen voortgebragt zijn. Als bij voorbeeld: ik wil in zeeker kamer ligt hebben; Ik steek het op en dit verligt door zig zelfs de kamer, oft' ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt maakt, maar nogtans te weege brengd, dat het ligt in de kamer kan komen. En alzo word ook tot de beweeging van een lighaam een ander lichaam vereijscht, 't welk al die beweeging moet hebben die van hem over gaat tot het ander. Maar om in ons een denkbeeld van [fol. 30] God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig lighaam in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen. 'T geen gij ook uijt mijne woorden hebt konnen afneemen. Want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs en niet door wat anders gekend.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[13] Dog dit zeg ik u, dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen. En 't geene gij nog zout mogen hebben te vraagen, laat dat op een ander tijd zijn; tegen woordig noodigd mij de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[14] '''Erasmus''' — Voor't tegenwoordig niet, maar ik zal mij nu met 'et geen gij mij nu gezeid hebt bezighouwden tot naader gelegentheid en u God beveelen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. III – Dat God is een oorzaak van alles ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Wij zullen dan als nu aanvangen te handelen van die eijgenschappen, welke wij &amp;lt;ref&amp;gt;Deze volgende worden Eigene genoemd, omdat zij niet anders als Adjectiva die niet verstaan konnen worden zonder haar Substantiva. Dat is God zoude zonder deze geen God zijn, maar nogtans is door deze geen God; want zij niet zelfstandigs door welke God alleen bestaat, te kennen geven.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''Eigene'' genoemd hebben. En vooreerst hoedanig God ''Een oorzaak is van alles''. Hier te vooren dan hebben wij nu al gezeid, hoe dat ''de Eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen en dat God een wezen is, van welke alle eijgen'' [fol. 31] ''schappen geseid worden''; alwaar uijt klaarlijk volgd, dat alle andere dingen geenzins en konnen nog bestaan nog verstaan worden zonder nog buijten hem. Weshalven wij dan met alle reeden mogen zeggen, ''God te zijn een oorzaak van alles''. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. Dan zeggen wij, dat hij is ''een uitvloejende'' ofte ''daarstellende oorzaak van zijne werken'' en in opzigt de werkinge geschied, ''een doende ofte werkende oorzaak'', hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. Ten anderen is Hij ''Een inblijvende'' en geen ''overgaande oorzaake'', aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;3. Ten derden. ''God is een vrije oorzaak'' en geen ''Natuurlijke'' gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of ''God kan nalaaten te doen hetgene hij doet'', alwaar dan meteen verklaard zal worden ''waar in de waare vrijheid bestaat''. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;4. God is een oorzaak door zig zelfs en niet door een toeval, hetwelk uijt de verhandeling van de Praedestinatie nader zal blijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;5. Ten vijfden. ''God is een Voornaame oorzaak van sijne werken die hij onmiddelijk geschaapen heeft'' als daar is de roeringe in de stof enz. in welke de min voorneeme oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen, als wanneer hij door een harde wind de zee droogh maakt; en zoo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn. ''De Minvoorneem-beginnende oorzaak en is in God niet'' omdat buijten hem niet is dat hem zoude konnen prangen. Dog de ''voorgaande oorzaak'' is sijn volmaaktheid zelve; door dezelve is hij en van zig zelfs een oorzaak en bij gevolgh van alle andere dingen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;6. Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oorzaak gelijk blijkt bij onze voorgaande betooging. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;7. Ten zevende. ''God is ook een Algemeene oorzaak,'' [fol. 32] ''dog alleen in opzigt dat hij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft'', [fol. 33] om uijtwerkselen voort te brengen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk en de welke wij van hem zeggen onmiddellijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hij en eenigzins van alle de bezondere dingen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IV – Van Gods noodzaakelyke Werken ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij en zullen het meede bewijzen handelende van de Predestinatie, alwaar wij betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Dog ten andere dit word meede bewezen door de volmaaktheid Gods: Want het is buijten alle twijffel waar, ''dat God alles eeven zo volmaakt&amp;lt;elijk&amp;gt; kan uijtwerken als het in sijne Idea is begreepen''; en gelijkerwijs de dingen die van hem verstaan worden, van hem niet volmaakter konnen verstaan werden als hij die verstaat, alsoo konnen van hem alle dingen so volmaaktelijk worden uijtgewerkt, datze van hem niet volmaakter en konnen voort komen. Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij &amp;lt;doet&amp;gt; gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvol[fol. 34]maaktheid zoude zijn; zonder nogtans in God te stellen een ''minvoorneem-beginnende oorzaak'', die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar hij geen God.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Dog nu valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is en hij zo volmaaktelijk kan doen, of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? En of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is? Wij zeggen dan, &amp;lt;datt&amp;gt; dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij veranderlijk, dat dan in hem een groote onvolmaaktheid zoude zijn. En dat deze voorbepaaldheid &amp;lt;van&amp;gt; bij hem van Eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God &amp;lt;de dingen voo&amp;gt; te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen als die nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge heeft konnen zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen. Zo neen, zo is 't noodzakelijk dat hij het niet moet na laten. Dits in zig zelfs klaar. Alvoorder: in de geschape zaake is het een volmaaktheid datze is en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvolmaaktheid is de grootste onvolmaaktheid het niet zijn. En dewijle het heijl en [fol. 35] de volmaaktheid van alles is de wille Gods en als God dan zoude willen dat deze zaake niet en waar, zo zoude immers het heil en de volmaaktheid van de zelfde zaak bestaan in het niet zijn, het welke in zig zelfs tegen strijdig is. Alzoo dat wij dan ontkennen, ''dat God kan nalaten te doen het geene hij doet'':&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] Het welk zommige voor laster en verkleininge Gods achten. Dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin de ''Ware Vrijheid'' bestaat; dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten: Maar ''de Ware Vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak'', dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: En dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Dat dan God &amp;lt;de&amp;gt; alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken; al het welk inde geschapen dingen geen plaats heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Hier teegen werd op deze wijze geargumenteert: Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijnde, zo kan hij immers wel maaken dat het kwaad goet werdt. Dog zodanig argumenteeren sluijt also wel, als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ''ergo'' 't is in sijn magt geen God te wezen, 't welk de ongerijmtheid zelve is. Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt. Vraagt men dan waarom de Rechtvaardigheid &amp;lt;het also vereischt&amp;gt; of liever de eerste oorzaak van dat alles dat regtvaardig is, zo moet de antwoord zijn, om dat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eijlieve. Zoude de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te zijn? Geenzins, want alsdan en kond'se geen Regtvaardigheid wezen. Maar die geene de welke zeggen, dat God alles 't geen hij doet daarom doet, omdat het in zig zelfs goet is, deze zeg ik, zullen mogelijk denken, dat ze met ons niet verschillen. Doch 't verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn, namelijk een oorzaak [fol. 37] die een begeerte heeft van dat dit goet en dat wederom rechtvaardig is en zoude zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn? Waarop tot antwoord dient, dat bij aldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest, zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan &amp;lt;beide&amp;gt; God beide en een andere wille en een ander verstand als doen gehad heeft, volgens de welke hij het anders gemaakt zoude hebbe; en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep. Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal, kan toegepast worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] Dit word van ons verder bewezen uijt de beschrijvinge |f.38 die wij van de vrije oorzaak gemaakt hebben: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt. Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is. 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen. Dewijl wij zeggen dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede getoond hebben, dat dat geene het welke hem iets doet doen, niet anders kan zijn als sijne eige volmaaktheid zelve, zo besluijten wij, ''dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en souden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn''. Het welke even veel is als of men zeide: ''Indien God onvolmaakt was, zo zouden de dingen &amp;lt;die nu zijn&amp;gt; nu anders zijn als die nu zijn''. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] Dus veel van de eerste; nu zullen wij overgaan tot de tweede eigenschap, die wij in God ''eigen'' noemen, en zien wat ons daaraf te zeggen valt en zo voort ten eijnde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. V – Van Gods Voorzienigheid ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] [fol. 39] De twede eigenschap die wij (''Proprium'' of) eigen noemen is de ''Voorzienigheid'', welke bij ons niet anders is als die ''poginge'' die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen. Want het is openbaar, dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot sijn selfs vernietinge; maar in tegendeel dat ieder dink in [zig] zelfs een poginge [heeft] om zig zelfs en in sijn stand te bewaaren en tot beter te brengen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[2] Zo dat wij dan volgens deze onze beschrijvinge stellen ''een Algemeene'' en ''een bezondere voorzienigheid''. De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De ''bezondere voorzienigheid'' is die ''poginge'' die ieder ding bezonder tot het bewaren van sijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de Leeden vande mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de ''algemene voorzienigheid'' is: en de ''bezondere'' is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol. 40]&lt;br /&gt;
== Cap. VI – Van Gods Praedestinatie ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] De derde eigenschap is zeggen wij, de goddelijke praedestinatie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk, dat hij alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, &amp;lt;omdat&amp;gt; dat het niet volmaakter kan zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;2. En daar bij, dat geen dink zonder hem en kan bestaan nog ook verstaan worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Staat nu aan te merken offer dan inde Natuur eenige gebeurlijke dingen zijn. Namentlijk offer eenige dingen zijn, die konnen gebeuren en ook niet gebeuren. Ten anderen, of er eenige Saake is, van de welke wij niet konnen vragen waarom ze is?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Maar dat er geen gebeurlijke dingen zijn, bewijzen wij dusdanig. Iets dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij: Iets dat gebeurlijk is heeft geen oorzaak ''ergo''.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Het eerste is buijten alle dispuijt: het tweede bewijzen wij aldus. Indien iets dat gebeurlijk is een bepaalde en zeekere oorzaak heeft om te zijn, so moet het dan noodzakelijk zijn; maar dat het ende gebeurlijke ende noodzaakelijke tegelijk zoude zijn is strijdig. ''Ergo''. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Misschien zal iemand zeggen, dat ''iets gebeurlijk'' wel geen |f.41 bepaalde en zekere oorzaak heeft, maar een gebeurlijke. Als dit dan zodanig zoude zijn, zo moet het zijn of ''in sensu diviso'', of ''in sensu composito'' te weten, of dat de wezentlijkheid van die oorzaak&amp;lt;en&amp;gt; niet, als oorzaak zijnde, gebeurlijk is; of wel dat het gebeurlijk is dat dat iets ('t welk wel noodzakelijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gebeurlijke iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zij valsch.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Want wat het eerste aangaat. Indien dat gebeurlijke iets daarom gebeurlijk is om dat zijn oorzaak gebeurlijk is, zo moet dan ook die oorzaak gebeurlijk zijn, omdat die oorzaak die haar veroorzaakt heeft, ook gebeurlijk is, ''et sic in infinitum''. En dewijl nu al te vooren bewezen is, ''dat van een eenige oorzaak alles afhangt'', zo zoude dan die oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn: 't welk openbaar valsch is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Aangaande het twede dan: bij aldien die oorzaak niet meer bepaald en was om het eene of om het ander voort te brengen, dat is om deze iets voort te brengen of na te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude [fol.42] voortbrengen, en dat hij het soude laten voort te brengen, 't welk regt streidig is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] Wat dan ons voorige tweede belangt van ''datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, we[l]k ons seggen te kennen geeft'', dat bij ons te onderzoeken staat door welke oorzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het ''iets'' zoude zijn. Deze oorzaak dan moeten wij of ''in de zaak'' of ''buijten de zaak zoeken''. Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er al heel geen schijnt van nooden te zijn. Want indien de wezent&amp;lt;heid&amp;gt;lijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken: Doch indien het zoodanig niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) ''dat God namentlijk alleen de eerste oorzaak van alles is''.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] En hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil &amp;lt;van de mensch&amp;gt; en behoort niet aan sijn Wezen) [fol. 43] ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben: Het welk ook soodaanig blijkt te zijn uijt alle het geene wij in dit Cap. gezeit hebben en ook nog meer zal blijken, zo wanneer wij in het twede deel van de Vrijheid des menschen zullen handelen en spreeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Tegen dit alle word van andere tegengeworpen: Hoe is't mogelijk ''dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt en de eenigste oorzaak, beschikker en voorzorger van alles te zijn, toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een verwarringe word gezien inde Natuur: En ook, waarom hij den mensch niet heeft geschapen dat hij niet en konde zondigen?'' &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] Vooreerst dan, datter verwarringe inde Natuur is, kan met regt niet gezeid worden, aangezien dat niemand alle de oorzaken van de dingen bekend zijn om daar van te konnen oordeelen. Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij al&amp;lt;geen&amp;gt;gemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Deze ''Ideen'' dan stellen zij te zijn in h&amp;lt;e&amp;gt;et [fol. 44] verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namentlijk deze algemeene Ideen (als Redelijk, Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die &amp;lt;bijhaar&amp;gt; bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorsorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt. e.g. noijt heeft God sijne voorsorge gehad over Bucephalum enz. maar wel over het geheele geslagte van Paard. Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de algemeene die na haar meeninge onvergankelijk zijn. Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst die bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen: zo dan de bezondere dingen zullen moeten overeenkomen met een andere Natuur, soo en zullen zij dan niet met haar eigen overeen konnen komen [fol. 45] en volgens dien niet zijn die zij waarlijk zijn. e.g. bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen, zo hadde hij dan ook alleen Adam, en geen Petrus nog Paulus geschapen; ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God, dat hij alle dingen van de minste tot de meeste haar wezentheid geeft, of om beter te zeggen, dat hij alles volmaakt in hem zelfs heeft. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] Wat het andere aangaat van ''waarom dat God de menschen niet en heeft geschapen dat ze niet en zondigen'', daarop dient, dat alles watter van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij twee dingen met den anderen off onder verscheide opzigten vergelijken. E.g. Indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft en dat dat werkstuk met het oogmerk van den maker wel overeenkomt, zo zegt men het goet te wezen en zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan, te maaken.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] [fol. 46] Wij besluijten dan te zeggen, dat Petrus met de Idea van Petrus gelijk 't noodzakelijk is, moet overeenkomen en niet met de Idea van Mensch. Goet en kwaat, of zonden en zijn dat niet anders als wijzen van denken en geenzins eenige zaaken off iets dat wezentlijkheid heeft, gelijk wij dat wel ligt in het navolgende nog breeder zullen betoonen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Want alle dingen en werken die inde Natuur zijn, die zijn volmaakt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. VII – Van de Niet tot God behoorende Eigenschappen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die &amp;lt;ref&amp;gt;Aangaande de eigenschappen van dewelke God bestaat, die zijn niet als oneyndige zelfstandigheeden van de welke een ieder des zelfs oneindig volmaakt moet zijn. Dat dit noodzaakelijk zo moet zijn, daarvan overtuygt ons de klare en onderscheidelyke reeden. Doch datter van alle deze oneindige tot nog toe maar twee door haar zelf wezen ons bekend zijn, is waar; en deze zijn de ''denking'' en ''uytgebreidheid''. Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van ''Een eigenschap''. In aanmerkinge van Alle, als dat hy is ''een'', ''eeuwig'', ''door zig zelfs bestaande'', ''oneindig'', ''oorzaak van alles'', ''onveranderlijk''. In aanmerkinge van ''eene'', als dat hij [fol. 47] is ''alwetende'', ''wijs'', enz. het welk tot de denking, en weder dat hij is overal, alles vervult, enz. het welk tot de ''uytgebreidheid'' toe behoort.&amp;lt;/ref&amp;gt; ''eigenschappen'' welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren: [fol. 47] als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: En meede van de wetten der warer beschrijvinge. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Om dit te doen, zullen wij ons niet zeer bekommeren met die verbeeldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben: Maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschreven te zijn ''Een wezen uijt of van zichzelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig, 't opperste goet, van oneindige barmhertigheid'', enz. Dog aleer wij tot dit onderzoek toetreden, laat eens vooraf gezien worden, wat zij ons al toe staan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan, en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigender [fol. 48] maar alleen ontkennender wijse weten. ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[5] Daarenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt ''a Priori'' en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of door sijne uijtwerkinge. Dewijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[6] Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige ''attributa'' of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen ''eenige propria'' of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig &amp;lt;zef&amp;gt; zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheeden behooren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[7] [fol. 49] Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan &amp;lt;ref&amp;gt;Verstaat ''hem'' genomen in aanmerking van alles wat hij is, of van alle sijn eigenschappen; ziet hiervan pag. [fol.] 46.&amp;lt;/ref&amp;gt; hem niet en behooren. Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem selfs bestaande, niet en konnen toegepast worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[8] Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed, doch indien zij daar bij iets anders als zij alreeds gezeid hebben verstaan, te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen, zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook [fol. 50] een oorzaak is van sijn zelfs. Doch dit zal zo wanneer wij van de wille &amp;lt;...komen&amp;gt; des menschen hier na handelen, nog klaarder blijken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[9] Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen, ontknoopen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;I. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid. Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. En zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten alvooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven hem heeft. Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan &amp;lt;worden&amp;gt; [noch] gekend worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol. 51] Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare Stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[10] Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen (of zo andere die noemen selfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven &amp;lt;zich zelven&amp;gt; door zich zelve zig zelfs te kennen geeft en vertoond. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;De andere dingen zien wij dat maar wijzen van die eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;1. Namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor ze meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, [fol. 52] zo worden zij ook door hun zelfs bekent. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;&amp;lt;2.&amp;gt; De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. En dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[11] &amp;lt;II.&amp;gt; Wat het ander aangaat van dat God van ons gekend zoude konnen worden met een evenmatige kennisse, hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge op de tegenwerpingen deze saake aangaande pag. 18. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[12] &amp;lt;III.&amp;gt; En op het derde van dat God niet en zoude konnen apriori bewezen werden, daarop is mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen. En is zulk bewijs ook veel bondiger als dat ''a posteriori'', 't welk gemeenlijk niet als door uijtwendige oorzaaken geschied.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol. 53]&lt;br /&gt;
== Cap. VIII – Van de natuurende Natuur ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt; Alhier zullen wij nu eens eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk geheel de ''Natuur'' schiften. Te weten in ''Natura Naturans'' en ''Natura naturata''. Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (''Attributa'') die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het selve God verstaan hebben, doch haare ''Natura naturans'' was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;De ''Natura naturata'' zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere. De ''algemeene'' bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen, waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De ''bezondere'' bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soo dat de ''Natura naturata'' [fol. 54] om wel begrepen te worden, eenige selfstandigheden van noden heeft.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. IX – Van de genatuurde Natuur ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata of die wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de &amp;lt;ref&amp;gt;''Nota''. 't geen hier van de beweginge inde Stoffe gezeid word, is hier niet in ernst gezeid. Want den Autheur meent daaraf de oorzaak nog te vinden gelijk hij ''a posteriori'' al eenigzins gedaan heeft, doch dit kan hier so wel staan, dewijl op het selve niets gebouwd is of daar van afhangig is.&amp;lt;/ref&amp;gt; beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak. Deze dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk soo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur &amp;lt;behoord&amp;gt; weet als wel hier behoord, gelijk als daar is dat ze &amp;lt;in&amp;gt; van alle Eeuwigheid is geweest en in eeuwigheid onveranderlijk zal blijven, dat z'oneijndig is in haar geslacht, dat ze nog door zig zelfs bestaan noch verstaan kan worden, maar alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, [fol. 55] of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Het angaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is meede een Zone, maaksel, of onmiddelijk schepzel van God, ook van alle eeuwigheid van hem geschapen en in alle eeuwigheid blijvende onveranderlijk: deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan, uijt het welke spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen 't geen het doet, het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde 't geen wij hier nu geseijd hebben, zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge Van de Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[fol. 56]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Cap. X – Wat Goet en Kwaad is ==&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[1] Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet en kwaad is, zullen wij aldus aanvangen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[2] Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de ENTIA Rationis of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of [o]ok dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[3] Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel over een komt met de algemene Idea die wij van sodanige [fol. 57] dingen hebben. En daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;[4] Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen. Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen. ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;br /&amp;gt;Want indien goet &amp;lt;of&amp;gt; en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben. Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Notes de l'auteur ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references /&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>http://spinozaetnous.org/wiki/Ethica_-_Pars_IV</id>
		<title>Ethica - Pars IV</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://spinozaetnous.org/wiki/Ethica_-_Pars_IV"/>
				<updated>2013-12-08T22:09:49Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;Pourquoipas : &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Titre|Ethica &amp;lt;br /&amp;gt;ordine geometrico demonstrata|Baruch Spinoza|&lt;br /&gt;
1677 &amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Pars quarta'''&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''DE SERVITUTE HUMANÂ'''&amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''SEU DE AFFECTUUM VIRIBUS'''  &amp;lt;br /&amp;gt;&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
{{ethica}}&lt;br /&gt;
&amp;lt;div class=&amp;quot;text&amp;quot;&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;pr&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
== Praefatio ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Humanam impotentiam in moderandis, et coërcendis affectibus Servitutem voco ; homo enim affectibus obnoxius sui juris non est, sed fortunae, in cujus potestate ità est, ut saepe coäctus sit, quanquam meliora sibi videat, deteriora tamen sequi. Hujus rei causam, et quid praeterea affectûs boni, vel mali habent, in hâc Parte demonstrare proposui. Sed antequam incipiam, pauca de perfectione, et imperfectione, deque bono, et malo praefari lubet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Qui rem aliquam facere constituit, eamque perfecit, rem suam perfectam esse, non tantùm ipse, sed etiam unusquisque, qui mentem Auctoris illius operis, et scopum rectè noverit, aut se novisse crediderit, dicet. Ex. gr. si aliquis aliquod opus (quod suppono nondum esse peractum) viderit, noveritque scopum Auctoris illius operis esse domum aedificare, is domum imperfectam esse dicet, et contrà perfectam, simulatque opus ad finem, quem ejus Auctor eidem dare constituerat, perductum viderit. Verùm si quis opus aliquod videt, cujus simile nunquam viderat, nec mentem opificis novit, is sanè scire non poterit, opus ne illud perfectum, an imperfectum sit. Atque haec videtur prima fuisse horum vocabulorum significatio. Sed postquam homines ideas universales formare, et domuum, aedificiorum, turrium, etc. exemplaria excogitare, et alia rerum exemplaria aliis praeferre inceperunt, factum est, ut unusquisque id perfectum vocaret, quod cum universali ideâ, quam ejusmodi rei formaverat, videret convenire, et id contrà imperfectum, quod cum concepto suo exemplari minùs convenire videret, quanquam ex opificis sententiâ consummatum planè esset. Nec alia videtur esse ratio, cur res naturales etiam, quae scilicet humanâ manu non sunt factae, perfectas, aut imperfectas vulgò appellent ; solent namque homines tam rerum naturalium, quàm artificialum ideas formare universales, quas rerum veluti exemplaria habent, et quas naturam (quam nihil nisi alicujus finis causâ agere existimant) intueri credunt, sibique exemplaria proponere. Cùm itaque aliquid in naturâ fieri vident, quod cum concepto exemplari, quod rei ejusmodi habent, minùs convenit, ipsam naturam tum defecisse, vel peccavisse, remque illam imperfectam reliquisse, credunt. Videmus itaque homines consuevisse, res naturales perfectas, aut imperfectas vocare, magis ex praejudicio, quàm ex earum verâ cognitione. Ostendimus enim in Primae Partis Appendice Naturam propter finem non agere ; aeternum namque illud, et infinitum Ens, quod Deum, seu Naturam appellamus, eâdem, quâ existit, necessitate agit. Ex quâ enim naturae necessitate existit, ex eâdem ipsum agere ostendimus ([[Ethica - Pars I#p16|Prop. 16 Part. I]]). Ratio igitur, seu causa, cur Deus, seu Natura agit, et cur existit, una, eadeóque est. Ut ergo nullius finis causâ existit, nullius etiam finis causâ agit ; sed ut existendi, sic et agendi principium, vel finem habet nullum. Causa autem, quae finalis dicitur, nihil est praeter ipsum humanum appetitum, quatenus is alicujus rei veluti principium, seu causa primaria consideratur. Ex. gr. cùm dicimus habitationem causam fuisse finalem hujus, aut illius domûs, nihil tùm sanè intelligimus aliud, quàm quod homo ex eo, quod vitae domesticae commoda imaginatus est, appetitum habuit aedificandi domum. Quare habitatio, quatenus ut finalis causa consideratur, nihil est praeter hunc singularem appetitum, qui reverâ causa est efficiens, quae ut prima consideratur, quia homines suorum appetituum causas communiter ignorant. Sunt namque, ut jam saepe dixi, suarum quidem actionum, et appetituum conscii, sed ignari causarum, à quibus ad aliquid appetendum determinantur. Quod praeterea vulgo ajunt, Naturam aliquando deficere, vel peccare, resque imperfectas producere, inter commenta numero, de quibus in [[Ethica - Pars I#ap|Append. Part. I]] egi. Perfectio igitur, et imperfectio reverâ modi solummodo cogitandi sunt, nempe notiones, quas fingere solemus ex eo, quod ejusdem speciei, aut generis individua ad invicem comparamus : et hâc de causâ suprà ([[Ethica - Pars II#d6|Def. 6 Part. II]]) dixi me per realitatem, et perfectionem idem intelligere ; solemus enim omnia Naturae individua pertinet. Quatenus itaque Naturae individua ad hoc genus revocamus, et ad invicem comparamus, et alia plus entitatis, seu realitatis, quàm alia habere comperimus, eatenus alia aliis perfectiora esse dicimus ; et quatenus iisdem aliquid tribuimus, quod negationem involvit, ut terminus, finis, impotentia, etc. eatenus ipsa imperfecta appellamus, quia nostram Mentem non aequè afficiunt, ac illa, quae perfecta vocamus, et non quod ipsis aliquid, quod suum sit, deficiat, vel quod Natura peccaverit. Nihil enim naturae alicujus rei competit, nisi id, quod ex necessitate naturae causae efficientis sequitur, et quicquid ex necessitate naturae causae efficientis sequitur, id  necessariò sit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;prf&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;Bonum, et malum quod attinet, nihil etiam positivum in rebus, in se scilicet consideratis, indicant, nec aliud sunt, praeter cogitandi modos, seu notiones, quas formamus ex eo, quod res ad invicem comparamus. Nam una, eadeóque res potest eodem tempore bona, et mala, et etiam indifferens esse. Ex. gr. Musica bona est Melancholico, mala lugenti ; surdo autem neque bona, neque mala. Verùm, quamvis se res ità habeat, nobis tamen haec vocabula retinenda sunt. Nam quia ideam hominis tanquam naturae humanae exemplar, quod intueamur, formare cupimus, nobis ex usu erit, haec eadem vocabula eo, quo dixi, sensu retinere. Per bonum itaque in seqq. intelligam id, quod certò scimus medium esse, ut ad exemplar humanae naturae, quod nobis proponimus, magis magisque accedamus. Per malum autem id, quod certò scimus impedire, quominùs idem exemplar referamus. Deinde homines perfectiores, aut imperfectiores dicemus, quatenus ad hoc idem exemplar magis, aut minùs accedunt. Nam apprimè notandum est, cùm dico, aliquem à minore ad majorem perfectionem transire, et contrà, me non intelligere, quod ex unâ essentiâ, seu formâ in aliam mutatur. Equus namque ex. gr. tàm destruitur, si in hominem, quàm si in insectum mutetur : sed quod ejus agendi potentiam, quatenus haec per ipsius naturam intelligitur, augeri, vel minui concipimus. Denique per perfectionem in genere realitatem, uti dixi, intelligam, hoc est, rei cujuscunque essentiam, quatenus certo modo existit, et operatur, nullâ ipsius durationis habitâ ratione. Nam nulla res singularis potest ideo dici perfectior, quia plus temporis in existendo perseveravit ; quippe rerum duratio ex earum essentiâ determinari nequit ; quandoquidem rerum essentia nullum certum, et determinatum existendi tempus involvit ; sed res quaecunque, sive ea perfectior sit, sive minùs, eâdem vi, quâ existere incipit, semper in existendo perseverare poterit, ità ut omnes hâc in re aequales sint.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Definitiones ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;1. Per bonum id intelligam, quod certò scimus nobis utile.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;2. Per malum autem id, quod certò scimus impedire, quominùs boni alicujus simus compotes.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
:De his praecedentem vide praefationem sub finem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d3&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;3. Res singulares voco contingentes, quatenus, dum ad earum solam essentiam attendimus, nihil invenimus, quod earum existentiam necessariò ponat, vel quod ipsam necessariò secludat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d4&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;4. Easdem res singulares voco possibiles, quatenus, dum ad causas, ex quibus produci debent, attendimus, nescimus, an ipsae determinatae sint ad easdem producendum.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
:In [[Ethica - Pars I#p33s1|Schol. 1 Prop. 33 Part. I]] inter possibile, et contingens nullam feci differentiam, quia ibi non opus erat haec accuratè distinguere.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d5&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;5. Per contrarios affectûs in seqq. intelligam eos, qui hominem diversum trahunt, quamvis ejusdem sint generis, ut luxuries, et avaritia, quae amoris sunt species ; nec naturâ, sed per accidens sunt contrarii.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d6&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;6. Quid per affectum erga rem futuram, praesentem, et praeteritam intelligam, explicui in [[Ethica - Pars III#p18s1|Schol. 1 et 2 Prop. 18 Part. III]] quod vide.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
:Sed venit hîc praeterea notandum, quod ut loci, sic etiam temporis distantiam non, nisi usque ad certum quendam limitem, possumus distinctè imaginari ; hoc est, sicut omnia illa objecta, quae ultra ducentos pedes à nobis distant, seu quorum distantia à loco, in quo sumus, illam superat, quam distinctè imaginamur, aequè longè à nobis distare, et perinde, ac si in eodem plano essent, imaginari solemus ; sic etiam objecta, quorum existendi tempus longiore à praesenti intervallo abesse imaginamur, quàm quod distinctè imaginari solemus, omnia aequè longè à praesenti distare imaginamur, et ad unum quasi temporis momentum referimus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d7&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;7. Per finem, cujus causâ aliquid facimus, appetitum intelligo.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;d8&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;8. Per virtutem, et potentiam idem intelligo, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]) virtus, quatenus ad hominem refertur, est ipsa hominis essentia, seu natura, quatenus potestatem habet, quaedam efficiendi, quae per solas ipsius naturae leges possunt intelligi.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;a&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
== Axioma ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nulla res singularis in rerum naturâ datur, quâ potentior, et fortior non detur alia. Sed quâcunque datâ datur alia potentior, à quâ illa data potest destrui.&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
== Propositio 1 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nihil, quod idea falsa positivum habet, tollitur praesentiâ veri, quatenus verum.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Falsitas in solâ privatione cognitionis, quam ideae inadaequatae involvunt, consistit (per [[Ethica - Pars II#p35|Prop. 35 Part. II]]), nec ipsae aliquid habent positivum, propter quod falsae dicuntur (per [[Ethica - Pars II#p33|Prop. 33 Part. II]]) ; sed contrà, quatenus ad Deum referuntur, verae sunt (per [[Ethica - Pars II#p32|Prop. 32 Part. II]]). Si igitur id, quod idea falsa positivum habet, praesentiâ veri, quatenus verum est, tolleretur, tolleretur ergo idea vera à se ipsâ, quod (per [[Ethica - Pars III#p4|Prop. 4 Part. III]]) est absurdum. Ergo nihil, quod idea, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p1s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Intelligitur haec Propositio clariùs ex [[Ethica - Pars II#p16c2|2. Coroll. Prop. 16 Part. II]]. Nam imaginatio idea est, quae magis Corporis humani praesentem constitutionem, quàm corporis externi naturam indicat, non quidem distinctè, sed confusè ; unde fit, ut Mens errare dicatur. Ex. gr. cùm solem intuemur, eundem ducentos circiter pedes à nobis distare imaginamur ; in quo tamdiu fallimur, quamdiu veram ejus distantiam ignoramus ; sed cognitâ ejusdem distantiâ tollitur quidem error, sed non imaginatio, hoc est, idea solis, quae ejusdem naturam eatenus tantùm explicat, quatenus Corpus ab eodem afficitur ; adeóque, quamvis veram ejusdem distantiam noscamus, ipsum nihilominùs propè nobis adesse imaginabimur. Nam ut in [[Ethica - Pars II#p35s|Schol. Prop. 35 Part. II]] diximus, non eâ de causâ solem adeò propinquum imaginamur, quia ejus veram distantiam ignoramus, sed quia Mens eatenus magnitudinem solis concipit, quatenus Corpus ab eodem afficitur. Sic cùm solis radii, aquae superficiei incidentes, ad nostros oculos reflectuntur, eundem perinde, ac si in aquâ esset, imaginamur ; tametsi verum ejus locum noverimus, et sic reliquae imaginationes, quibus Mens fallitur, sive eae naturalem Corporis constiturionem, sive, quod ejusdem agendi potentiam augeri, vel minui indicant, vero non sunt contrariae, nec ejusdem praesentiâ evanescunt. Fit quidem, cùm falso aliquod malum timemus, ut timor evanescat, audito vero nuntio ; sed contrà etiam fit, cùm malum, quod certè venturum est, timemus, ut timor etiam evanescat, audito falso nuntio ; atque adeò imaginationes non praesentiâ veri, quatenus verum, evanescunt ; sed quia aliae occurrunt, iis fortiores, quae rerum, quas imaginamur, praesentem existentiam secludunt, ut [[Ethica - Pars II#p17|Prop. 17 Part. II]] ostendimus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 2 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nos eatenus patimur, quatenus Naturae sumus pars, quae per se absque aliis non potest concipi.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Nos tum pati dicimur, cùm aliquid in nobis oritur, cujus non nisi partialis sumus causa (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#d1|Def. 1 Part. III]]), aliquid, quod ex solis legibus nostrae naturae deduci nequit. Patimur igitur, quatenus Naturae sumus pars, quae per se absque aliis nequit concipi. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p3&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 3 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Vis, quâ homo in existendo perseverat, limitata est, et à potentiâ causarum externarum infinitè superatur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Patet ex [[#a|Axiomate hujus]]. Nam dato homine datur aliquid aliud, puta A potentius, et dato A datur deinde aliud, puta B, ipso A potentius, et hoc in infinitum ; ac proinde potentia hominis potentiâ alterius rei definitur, et à potentiâ causarum externarum infinitè superatur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p4&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 4 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Fieri non potest, ut homo non sit Naturae pars, et ut nullas possit pati mutationes, nisi, quae per solam suam naturam possint intelligi, quarumque adaequata sit causa.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Potentia, quâ res singulares, et consequenter homo suum esse conservat, est ipsa Dei, sive Naturae potentia (per [[Ethica - Pars I#p24c|Coroll. Prop. 24 Part. I]]), non quatenus infinita est, sed quatenus per humanam actualem essentiam explicari potest (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]). Potentia itaque hominis, quatenus per ipsius actualem essentiam explicatur, pars est infinitae Dei, seu Naturae potentiae, hoc est (per [[Ethica - Pars I#p34|Prop. 34 Part. I]]), essentiae. Quod erat primum. Deinde si fieri posset, ut homo nullas posset pati mutationes, nisi, quae per solam ipsius hominis naturam possint intelligi, sequeretur (per [[Ethica - Pars III#p4|Prop. 4]] et [[Ethica - Pars III#p6|6 Part. III]]), ut non posset perire, sed ut semper necessariò existeret ; atque hoc sequi deberet ex causâ, cujus potentia finita, aut infinita sit, nempe vel ex solâ hominis potentiâ, qui scilicet potis esset, ut à se removeret reliquas mutationes, quae à causis externis oriri possent, vel infinitâ Naturae potentià, à quâ omnia singularia ità dirigerentur, ut homo nullas alias posset pati mutationes, nisi quae ipsius conservationi inserviunt. At primum (per [[#p3|Prop. praeced.]], cujus demonstratio universalis est, et ad omnes res singulares applicari potest) est absurdum ; ergo si fieri posset, ut homo nullas pateretur mutationes, nisi quae per solam ipsius hominis naturam possent intelligi ; et consequenter (sicut jam ostendimus) ut semper necessariò existeret, id sequi deberet ex Dei infinitâ potentiâ ; et consequenter (per [[Ethica - Pars I#p16|Prop. 16 Part. I]]) ex necessitate divinae naturae, quatenus alicujus hominis ideâ affectus consideratur, totius Naturae ordo, quatenus ipsa sub Extensionis, et Cogitationis attributis concipitur, deduci deberet ; atque adeò (per [[Ethica - Pars I#p21|Prop. 21 Part. I]]) sequeretur, ut homo esset infinitus, quod (per 1. part. hujus Demonstrationis) est absurdum. Fieri itaque nequit, ut homo nullas alias patiatur mutationes, nisi quarum ipse adaequata sit causa. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p4c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Hinc sequitur, hominem necessariò passionibus esse semper obnoxium, communemque Naturae ordinem sequi, et eidem parere, seseque eidem, quantum rerum natura exigit, accommodare.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p5&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 5 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Vis, et incrementum cujuscunque passionis, ejusque in existendo perseverantia non definitur potentiâ, quâ nos in existendo perseverare conamur, sed causae externae potentiâ cum nostrâ comparatâ.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Passionis essentia non potest per solam nostram essentiam explicari (per [[Ethica - Pars III#d1|Def. 1]] et [[Ethica - Pars III#d2|2 Part. II]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), passionis potentia definiri nequit potentiâ, quâ in nostro esse perseverare conamur ; sed (ut [[Ethica - Pars II#p16|Prop. 16 Part. II]] ostendum est) definiri necessariò debet potentiâ causae externae cum nostrâ comparatâ. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p6&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 6 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Vis alicujus passionis, seu affectûs reliquas hominis actiones, seu potentiam superare potest, ita ut affectus pertinaciter homini adhaereat.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Vis, et incrementum cujuscunque passionis, ejusque in existendo perseverantia definitur potentià causae externae cum nostrà comparatà (per [[#p5|Prop. praec.]]) ; adeóque (per [[#p3|Prop. 3 hujus]]) hominis potentiam superare potest, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p7&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 7 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectus nec coërceri, nec tolli potest, nisi per affectum contrarium, et fortiorem affectu coërcendo.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectus, quatenus ad Mentem refertur, est idea, quà Mens majorem, vel minorem sui corporis existendi vim, quàm antea, affirmat (per [[Ethica - Pars III#agd|generalem Affectuum Definitionem]], quae reperitur sub finem Tertiae Partis). Cum igitur Mens aliquo affectu conflictatur, Corpus afficitur simul affectione, quà ejus agendi potentia augeretur, vel minuitur. Porrò haec Corporis affectio (per [[#p5|Prop. 5 hujus]]) vim à suâ causâ accipit perseverandi in suo esse ; quae proinde nec coërciri, nec tolli potest, nisi à causâ corporeâ (per [[Ethica - Pars II#p6|Prop. 6 Part. II]]), quae Corpus afficiat affectione illi contrariâ (per [[Ethica - Pars III#p5|Prop. 5 Part. III]]), et fortiore (per [[#a|Axiom. hujus]]) ; atque adeò (per [[Ethica - Pars II#p12|Prop. 12 Part. II]]) Mens afficietur ideà affectionis fortioris, et contrariae priori, hoc est (per [[Ethica - Pars III#agd|gener. Affect. Def.]]) Mens afficietur affectu fortiori, et contrario priori, qui scilicet prioris existentiam secludet, vel tollet ; ac proinde affectus nec tolli, nec coërciri potest, nisi per affectum contrarium, et fortiorem. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p7c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Affectus, quatenus ad Mentem refertur, nec coërciri, nec tolli potest, nisi per ideam Corporis affectionis contrariae, et fortioris affectione, quâ patimur. Nam affectus, quo patimur, nec coërciri, nec tolli potest, nisi per affectum eodem fortiorem, eique contrarium (per Prop. praec.), hoc est (per [[Ethica - Pars III#agd|gener. Affect. Def.]]), nisi per ideam Corporis affectionis fortioris, et contrariae affectioni, quâ patimur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p8&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 8 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cognitio boni, et mali nihil aliud est, quàm Laetitiae, vel Tristitiae affectus, quatenus ejus sumus conscii.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Id bonum, aut malum vocamus, quod nostro esse conservando prodest, vel obest (per [[#d1|Def. 1]] et [[#d2|2 hujus]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), quod nostram agendi potentiam auget, vel minuit, juvat, vel coërcet. Quatenus itaque (per Def. Laetitiae, et Tristitiae, quas vide in [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]) rem aliquam nos Laetitiâ, vel Tristitiâ afficere percipimus, eandem bonam, aut malam vocamus ; atque adeò boni, et mali cognitio, nihil aliud est, quam Laetitiae, vel Tristitiae idea, quae ex ipso Laetitiae, vel Tristitiae affectu necessario sequitur (per [[Ethica - Pars II#p22|Prop. 22 Part. II]]). At haec idea eodem modo unita est affectui, ac Mens unita est Corpori (per [[Ethica - Pars II#p21|Prop. 21 Part. II]]), hoc est (ut in [[Ethica - Pars II#p21s|Schol. ejusdem Prop.]] ostensum), haec idea ab ipso affectu, sive (per [[Ethica - Pars III#agd|gener. Affect. Def.]]) ab ideâ Corporis affectionis reverâ non distinguitur, nisi solo conceptu ; ergo haec cognitio boni, et mali nihil est aliud, quàm ipse affectus, quatenus ejusdem sumus conscii. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p9&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 9 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectus, cujus causam in praesenti nobis adesse imaginamur, fortior est, quàm si eandem non adesse imaginaremur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Imaginatio est idea, quâ Mens rem ut praesentem contemplatur (vide ejus Def. in [[Ethica - Pars II#p17s|Schol. Prop. 17 Part. II]]), quae tamen magis Corporis humani constitutionem, quàm rei externae naturam indicat (per [[Ethica - Pars II#p16c2|Coroll. 2 Prop. 16 Part. II]]). Est igitur affectus (per [[Ethica - Pars III#agd|gener. Affect. Def.]]) imaginatio, quatenus corporis constitutionem indicat. At imaginatio (per [[Ethica - Pars II#p17|Prop. 17 Part. II]]) intensior est, quamdiu nihil imaginamur, quod rei externae praesentem existentiam secludit ; ergo etiam affectus, cujus causam in praesenti nobis adesse imaginamur, intensior, seu fortior est, quàm si eandem non adesse imaginaremur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p9s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Cùm suprà in [[Ethica - Pars III#p18|Propositione 18 Partis III]] dixerim, nos ex rei futurae, vel praeteritae imagine eodem affectu affici, ac si res, quam imaginamur, praesens esset, expressè monui id verum esse, quatenus ad solam ipsius rei imaginem attendimus ; est enim ejusdem naturae, sive res ut praesentes imaginati simus, sive non simus : sed non negavi eandem debiliorem reddi, quando alias res nobis praesentes contemplamur, quae rei futurae praesentem existentiam secludunt, quod tum monere neglexi, quia in hâc Parte de affectuum viribus agere constitueram.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p9c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Imago rei futurae, vel praeteritae, hoc est, rei, quam cum relatione ad tempus futurum, vel praeteritum secluso praesenti contemplamur, caeteris partibus, debilior est imagine rei praesentis, et consequenter affectus erga rem futuram, vel praeteritam, caeteris paribus, remissior est affectu erga rem praesentem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p10&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 10 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Erga rem futuram, quàm citò affuturam imaginamur, intensiùs afficimur, quàm si ejus existendi tempus longiùs à praesenti distare imaginaremur ; et memoriâ rei, quam non diu praeteriisse imaginamur, intensiùs etiam afficimur, quàm si eandem diu praeteriisse imaginaremur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus enim rem citò affuturam, vel non diu praeterisse imaginamur, eo ipso aliquid imaginamur, quod rei praesentiam minùs secludit, quàm si ejusdem futurum existendi tempus longiùs à praesenti distare, vel quod dudum praeterierit, imaginaremur (ut per se notum), adeóque (per [[#p9|praeced. Prop.]]) eatenus intensiùs erga eandem afficiemur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p10s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Ex iis, quae ad [[#d6|Definitionem 6 hujus Partis]] notavimus, sequitur, nos erga objecta, quae à praesenti longiori temporis intervallo distant, quàm quod imaginando determinare possumus, quamvis ab invicem longo temporis intervallo distare intelligamus, aequè tamen remissè affici.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p11&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 11 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectus erga rem, quam ut necessariam imaginamur, cœteris paribus, intensior est, quàm erga possibilem, vel contingentem, sive non necessariam.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus rem aliquam necessariam esse imaginamur, eatenus ejus existentiam affirmamus, et contrà rei existentiam negamus, quatenus eandem non necessariam esse imaginamur (per [[Ethica - Pars I#p33s1|Schol. 1 Prop. 33 Part. I]]), ac proinde (per [[#p9|Prop. 9 hujus]]) affectus erga rem necessariam, caeteris paribus, intensior est, quàm erga non necessariam. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p12&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 12 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectus erga rem, quam scimus in praesenti non existere, et quam ut possibilem imaginamur, cœteris paribus, intensior est, quàm erga contingentem.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus rem ut contingentem imaginamur, nullà alterius rei imagine afficimur, quae rei existentiam ponat (per [[#d3|Def. 3 hujus]]) : sed contrà (secundum Hypothesin) quaedam imaginamur, quae ejusdem praesentem existentiam secludunt. At quatenus rem in futurum possibilem esse imaginamur, eatenus quaedam imaginamur, quae ejusdem existentiam ponunt (per [[#d4|Def. 4 hujus]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p18|Prop. 18 Part. III]]), quae Spem, vel Metum fovent ; atque adeò affectus erga rem possibilem vehementior est. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p12c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Affectus erga rem, quàm scimus in praesenti non existere, et quam ut contingentem imaginamur, multò remissior est, quàm si rem in praesenti nobis adesse imaginaremur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectus erga rem, quam in praesenti existere imaginamur, intensior est, quàm si eandem ut futuram imaginaremur (per [[#p9c|Coroll. Prop. 9 hujus]]), et multò vehementior est, quàm si tempus futurum à praesenti multùm distare imaginaremur (per [[#p10|Prop. 10 hujus]]). Est itaque affectus erga rem, cujus existendi tempus longè à praesenti distare imaginamur, multò remissior, quàm si eandem ut praesentem imaginaremur, et nihilominùs (per Prop. praec.) intensior est, quàm si eandem rem ut contingentem imaginaremur ; atque adeò affectus erga rem contingentem multò remissior erit, quàm si rem in praesenti nobis adesse imaginaremur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p13&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 13 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectus erga rem contingentem, quam scimus in praesenti non existere, cœteris paribus remissior est, quàm affectus erga rem praeteritam.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus rem ut contingentem imaginamur, nullâ alterius rei imagine afficimur, quae rei existentiam ponat (per [[#d3|Def. 3 hujus]]). Sed contrà (secundum Hypothesin) quaedam imaginamur, quae ejusdem praesentem existentiam secludunt. Verùm quatenus eandem cum relatione ad tempus praeteritum imaginamur, eatenus aliquid imaginari supponimur, quod ipsam ad memoriam redigit, sive quod rei imaginem excitat (vide [[Ethica - Pars II#p18|Prop. 18 Part. II]], cum [[Ethica - Pars II#p18s|ejusdem Schol.]]), ac proinde eatenus efficit, ut ipsam, ac si praesens esset, contemplemur (per [[Ethica - Pars II#p17c|Coroll. Prop. 17 Part. II]]) : Atque adeò (per [[#p9|Prop. 9 hujus]]) affectus erga rem contingentem, quam scimus in praesenti non existere, caeteris paribus, remissior erit, quàm affectus erga rem praeteritam. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p14&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 14 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Vera boni, et mali cognitio, quatenus vera, nullum affectum coërcere potest, sed tantùm, quatenus ut affectus consideratur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectus est idea, quà Mens majorem, vel minorem sui Corporis existendi vim, quàm antea, affirmat (per [[Ethica - Pars III#agd|gener. Affect. Def.]]) ; atque adeò (per [[#p1|Prop. 1 hujus]]) nihil positivum habet, quod praesentiâ veri tolli possit, et consequenter vera boni, et mali cognitio, quatenus vera, nullum affectum coërcere potest. At quatenus affectus est (vide [[#p8|Prop. 8 hujus), si fortior affectu coërcendo sit, eatenus tantùm (per [[#p7|Prop. 7 hujus]]) affectum coërcere poterit. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p15&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 15 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae ex verâ boni, et mali cognitione oritur, multis aliis Cupiditatibus, quae ex affectibus, quibus conflictamur, oriuntur, restingui, vel coërceri potest.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Ex verâ boni, et mali cognitione, quatenus haec (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]) affectus est, oritur necessariò Cupiditas (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. affect. Def.]]), quae eò est major, quò affectus, ex quo oritur, major est (per [[Ethica - Pars III#p37|Prop. 37 Part. III]]) : Sed quia haec Cupiditas (per Hypothesin) ex eo, quòd aliquid verè intelligimus, oritur, sequitur ergo ipsa in nobis, quatenus agimus (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]) ; atque adeò per solam nostram essentiam debet intelligi (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]) ; et consequenter (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]) ejus vis, et incrementum solâ humanâ potentiâ definiri debet. Porrò Cupiditates, quae ex affectibus, quibus conflictamur, oriuntur, eò etiam majores sunt, quò hi affectûs vehementiores erunt ; atque adeò earum vis, et incrementum (per [[#p5|Prop. 5 hujus]]) potentiâ causarum externarum definiri debet, quae, si cum nostrâ comparetur, nostram potentiam indefinitè superat (per [[#p3|Prop. 3 hujus]]) : atque adeò Cupiditates, quae ex similibus affectibus oriuntur, vehementories esse possunt illâ, quae ex verâ boni, et mali cognitione oritur, ac proinde (per [[#p7|Prop. 7 hujus]]) eandem coërcere, vel restinguere poterunt. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p16&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 16 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae ex cognitione boni, et mali, quatenus haec cognitio futurum respicit, oritur, faciliùs rerum Cupiditate, quae in praesentiâ suaves sunt, coërceri, vel restingui potest.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectus erga rem, quam futuram imaginamur, remissior est, quàm erga praesentem (per [[#p9c|Coroll. Prop. 9 hujus]]). At Cupiditas, quae ex verâ boni, et mali cognitione oritur, tametsi haec cognitio circa res, quae in praesentiâ bonae sunt, versetur, restingui, vel coërceri potest aliquâ temerariâ Cupiditate (per [[#p15|Prop. praeced.]], cujus demonstratio universalis est) ; ergo Cupiditas, quae ex eâdem cognitione, quatenus haec futurum respicit, oritur, faciliùs coërciri, vel restingui poterit, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p17&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 17 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae oritur ex verâ boni, et mali cognitione, quatenus haec circa res contingentes versatur, multò adhuc faciliùs coërceri potest, Cupiditate rerum, quae praesentes sunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Propositio haec eodem modo, ac [[#p16|Prop. praeced.]] demonstratur ex [[#p12c|Coroll. Prop. 12 hujus]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p17s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' His me causam ostendire credo, cur homines opinione magis, quàm verâ ratione commoveantur, et cur vera boni, et mali cognitio animi commotiones excitet, et saepe omni libidinis generi cedat ; unde illud Poëtae natum : ''Video meliora, proboque, deteriora sequor''. Quod item etiam Ecclesiastes in mente habuisse videtur, cùm dixit : ''Qui auget scientiam, auget dolorem''. Atque haec non eum in finem dico, ut inde concludam, praestabilius esse ignorare, quàm scire, vel quòd stulto intelligens in moderandis affectibus nihil intersit ; sed ideò quia necesse est, nostrae naturae tam potentiam, quàm impotentiam noscere, ut determinare possimus, quid ratio in moderandis affectibus possit, et quid non possit ; et in hâc Parte de solâ humanâ impotentiâ me acturum dixi. Nam de Rationis in affectûs potentiâ separatim agere constitui.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p18&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 18 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae ex Laetitiâ oritur, cœteris paribus, fortior est Cupiditate, quae ex Tristitiâ oritur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Cupiditas est ipsa hominis essentia (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. Affect. Def.]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), conatus, quo homo in suo esse perseverare conatur. Quare Cupiditas, quae ex Laetitiâ oritur, ipso Laetitiae affectu (per Def. Laetitiae, quam vide in [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]) juvatur, vel augetur ; quae autem contrà ex Tristitiâ oritur, ipso Tristitiae affectu (per idem Schol.) minuitur, vel coërcetur ; atque adeò vis Cupiditatis, quae ex Laetitiâ oritur, potentiâ humanâ, simul et potentiâ causae externae ; quae autem ex Tristitiâ, solâ humanâ potentiâ definiri debet, ac proinde hâc illa fortior est. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p18s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' His paucis humanae impotentiae, et inconstantiae causas, et cur homines rationis praecepta non servent, explicui. Superest jam, ut ostendam, quid id sit, quod ratio nobis praescribit, et quinam affectûs cum rationis humanae regulis conveniant, quinam contrà iisdem contrarii sint. Sed antequam haec prolixo nostro Geometrico ordine demonstrare incipiam, lubet ipsa rationis dictamina hic priùs breviter ostendere, ut ea, quae sentio, faciliùs ab unoquoque percipiantur. Cùm ratio nihil contra naturam postulet, postulat ergo ipsa, ut unusquisque seipsum amet, suum utile, quod reverâ utile est, quaerat, et id omne, quod hominem ad majorem perfectionem reverâ ducit, appetat, et absolutè, ut unusquisque suum esse, quantum in se est, conservare conetur. Quod quidem tam necessariò verum est, quàm, quòd totum sit suâ parte majus (vide [[Ethica - Pars III#p4|Prop. 4 Part. III]]). Deinde quandoquidem virtus (per [[#d8|Def. 8 hujus]]) nihil aliud est, quàm ex legibus propriae naturae agere, et nemo suum esse (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]) conservare conetur, nisi ex propriae suae naturae legibus ; hinc sequitur primò, virtutis furdamentum esse ipsum conatum proprium esse conservandi, et felicitatem in eo consistere, quòd homo suum esse conservare potest. Secundò sequitur, virtutem propter se esse appetendam, nec quicquam, quod ipsâ praestabilius, aut quod utilius nobis sit, dari, cujus causâ deberet appeti. Tertiò denique sequitur, eos, qui se interficiunt, animo esse impotentes, eosque à causis externis, suae naturae repugnantibus, prorsùs vinci. Porrò ex [[Ethica - Pars II#ps4|Postulato 4 Partis II]] sequitur, nos efficere nunquam posse, ut nihil extra nos indigeamus ad nostrum esse conservandum, et ut ità vivamus, ut nullum commercium cum rebus, quae extra nos sunt, habeamus ; et, si praeterea nostram Mentem spectemus, sanè noster intellectus imperfectior esset, si Mens sola esset, nec quicquam praeter se ipsam intelligeret. Multa igitur extra nos dantur, quae nobis utilia, quaeque propterea appetenda sunt. Ex his nulla praestantoria excogitari possunt, quàm ea, quae cum nostrâ naturâ prorsùs conveniunt. Si enim duo ex. gr. ejusdem prorsùs naturae individua invicem junguntur, individuum componunt singulo duplò potentius. Homini igitur nihil homine utilius ; nihil, inquam, homines praestantius ad suum esse conservandum, optare possunt, quàm quòd omnes in omnibus ità conveniant, ut omnium Mentes et Corpora unam quasi Mentem, unumque Corpus componant, et omnes simul, quantùm possunt, suum esse conservare conentur, omnesque simul omnium commune utile sibi quaerant ; ex quibus sequitur, homines, qui ratione gubernantur, hoc est, homines, qui ex ductu rationis suum utile quaerunt, nihil sibi appetere, quod reliquis hominibus non cupiant, atque adeò eosdem justos, fidos, atque honestos esse.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Haec illa rationis dictamina sunt, quae hic paucis ostendere proposueram, antequam eadem prolixiori ordine demonstrare inciperem, quod eâ de causâ feci, ut, si fieri posset, eorum attentionem mihi conciliarem, qui credunt, hoc principium, quòd scilicet unusquisque suum utile quaerere tenetur, impietiatis, non autem virtutis, et pietatis esse fundamentum. Postquam igitur rem sese contrà habere breviter ostenderim, pergo ad eandem eâdem vià, quâ huc usque progressi sumus, demonstrandum.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p19&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 19 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Id unusquisque ex legibus suae naturae necessariò appetit, vel aversatur, quod bonum, vel malum esse judicat.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Boni, et mali cognitio est (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]) ipse Laetitiae, vel Tristitiae affectus, quatenus ejusdem sumus conscii ; ac proinde (per [[Ethica - Pars III#p28|Prop. 28 Part. III]]) id unusquisque necessariò appetit, quod bonum, et contrà id aversatur, quod malum esse judicat. Sed hic appetitus nihil aliud est, quàm ipsa hominis essentia, seu natura (per Def. Appetitûs, quam vide in [[Ethica - Pars III#p9s|Schol. Prop. 9 Part. III]] et [[Ethica - Pars III#ad1|1. Aff. Def.]]). Ergo unusquisque ex solis suae naturae legibus id necessariò appetit, vel aversatur, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p20&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 20 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quo magis unusquisque suum utile quaerere, hoc est, suum esse conservare conatur, et potest, eo magis virtute praeditus est ; et contrà quatenus unusquisque suum utile, hoc est, suum esse conservare negligit, eatenus est impotens.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Virtus est ipsa humana potentia, quae solâ hominis essentiâ definitur (per [[#d8|Def. 8 hujus]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), quae solo conatu, quo homo in suo esse perseverare conatur, definitur. Quò ergo unusquisque magis suum esse conservare conatur, et potest, eò magis virtute praeditus est, et consequenter (per [[Ethica - Pars III#p4|Prop. 4]] et [[Ethica - Pars III#p6|Prop. 6 Part. III]]), quatenus aliquis suum esse conservare negligit, eatenus est impotens. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p20s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Nemo igitur, nisi à causis externis, et suae naturae contrariis victus, suum utile appetere, sive suum esse conservare negligit. Nemo, inquam, ex necessitate suae naturae, sed à causis externis coactus alimenta aversatur, vel se ipsum interficit, quod multis modis fieri potest ; nempe interficit aliquis se ipsum coactus ab alio, qui ejus dexteram, quâ ensem casu prehenderat, contorquet, et cogit versus cor ipsum gladium dirigere ; vel quòd ex mandato Tyranni, ut Seneca, cogatur venas aperire suas, hoc est, majus malum minore vitare cupiat ; vel denique ex eo, quòd causae latentes externae ejus imaginationem ità disponunt, et Corpus ità afficiunt, ut id aliam naturam priori contrariam induat, et cujus idea in Mente dari nequit (per [[Ethica - Pars III#p10|Prop. 10 Part. III]]). At quòd homo ex necessitate suae naturae conetur non existere, vel in aliam formam mutari, tam est impossibile, quàm quòd ex nihilo aliquid fiat, ut unusquisque mediocri meditatione videre potest.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p21&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 21 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nemo potest cupere beatum esse, bene agere, et bene vivere, qui simul non cupiat, esse, agere, et vivere, hoc est, actu existere.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Hujus Propositionis Demonstratio, seu potiùs res ipsa per se patet, et etiam ex Cupiditatis definitione. Est enim Cupiditas (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. Aff. Def.]]) beatè, seu bene vivendi, agendi, etc. ipsa hominis essentia, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), conatus, quo unusquisque suum esse conservare conatur. Ergo nemo potest cupere, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p22&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 22 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nulla virtus potest prior hâc (nempe conatu sese conservandi) concipi.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Conatus sese conservandi est ipsa rei essentia (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]). Si igitur aliqua virtus posset hâc, nempe hoc conatu, prior concipi, conciperetur ergo (per [[#d8|Def. 8 hujus]]) ipsa rei essentia se ipsâ prior, quod (ut per se notum) est absurdum. Ergo nulla virtus, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p22c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Conatus sese conservandi primum, et unicum virtutis est fundamentum. Nam hoc principio nullum aliud potest priùs concipi (per Prop. praec.), et absque ipso (per [[#p21|Prop. 21 hujus]]) nulla virtus potest concipi.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p23&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 23 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homo, quatenus ad aliquid agendum determinatur ex eo, quod ideas habet inadaequatas, non potest absolutè dici, ex virtute agere ; sed tantùm, quatenus determinatur ex eo, quòd intelligit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus homo ad agendum determinatur ex eo, quòd inadaequatas habet ideas, eatenus (per [[Ethica - Pars III#p1|Prop. 1 Part. III]]) patitur, hoc est (per [[Ethica - Pars III#d1|Def. 1]] et [[Ethica - Pars III#d2|2 Part. III]]), aliquid agit, quod per solam ejus essentiam non potest percipi, hoc est (per [[#d8|Def. 8 hujus]]), quod ex ipsius virtute non sequitur. At quatenus ad aliquid agendum determinatur ex eo, quòd intelligit, eatenus (per eandem [[Ethica - Pars III#p1|Prop. 1 Part. III]]) agit, hoc est (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]), aliquid agit, quod per solam ipsius essentiam percipitur, sive (per [[#d8|Def. 8 hujus]]) quod ex ipsius virtute adaequatè sequitur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p24&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 24 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Ex virtute absolutè agere nihil aliud in nobis est, quàm ex ductu rationis agere, vivere, suum esse conservare (haec tria idem significant), idque ex fundamento proprium utile quaerendi.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Ex virtute absolutè agere, nihil aliud est (per [[#d8|Def. 8 hujus]]), quàm ex legibus propriae naturae agere. At nos eatenus tantummodò agimus, quatenus intelligimus (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]). Ergo ex virtute agere, nihil aliud in nobis est, quàm ex ductu rationis agere, vivere, suum esse conservare, idque (per [[#p22c|Coroll. Prop. 22 hujus]]) ex fundamento suum utile quaerendi. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p25&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 25 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nemo suum esse alterius rei causâ conservare conatur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Conatus, quo unaquaeque res in suo esse perseverare conatur, solâ ipsius rei essentiâ definitur (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), eâque solâ datâ, non autem ex alterius rei essentiâ necessariò sequitur (per [[#p6|Prop. 6 Part. III]]), ut unusquisque suum esse conservare conetur. Patet praeterea haec Propositio ex [[#p22c|Coroll. Prop. 22 hujus Partis]]. Nam si homo alterius causâ suum esse conservare conaretur, tum res illa primum esset virtutis fundamentum (ut per se notum), quod (per praedictum Coroll.) est absurdum. Ergo nemo suum esse, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p26&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 26 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quicquid ex ratione conamur, nihil aliud est, quàm intelligere ; nec Mens, quatenus ratione utitur, aliud sibi utile esse judicat, nisi id, quod ad intelligendum conducit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Conatus sese conservandi nihil est praeter ipsius rei essentiam (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), quae quatenus talis existit, vim habere concipitur ad perseverandum in existendo (per [[Ethica - Pars III#p6|Prop. 6 Part. III]]), et ea agendum, quae ex datâ suâ naturâ necessariò sequuntur (vide Def. Appetitûs in [[Ethica - Pars III#p9s|Schol. Prop. 9 Part. III]]). At rationis essentia nihil aliud est, quàm Mens nostra, quatenus clarè, et distinctè intelligit (vide ejus Def. in [[Ethica - Pars II#p40s2|2. Schol. Prop. 40 Part. II]]) : Ergo (per [[Ethica - Pars II#p40|Prop. 40 Part. II]]) quicquid ex ratione conamur, nihil aliud est, quàm intelligere. Deinde quoniam hic Mentis conatus, quo Mens, quatenus ratiocinatur, suum esse conatur conservare, nihil aliud est, quàm intelligere (per primam partem hujus), est ergo hic intelligendi conatus (per [[#p12c|Coroll. Prop. 12 hujus]]) primum, et unicum virtutis fundamentum, nec alicujus finis causâ (per [[#p25|Prop. 25 hujus]]) res intelligere conabimur ; sed contrà Mens, quatenus ratiocinatur, nihil sibi bonum esse concipere poterit, nisi id, quo ad intelligendum conducit (per [[#d1|Def. 1 hujus]]). Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p27&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 27 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Nihil certò scimus bonum, aut malum esse, nisi id, quod ad intelligendum reverâ conducit, vel quod impedire potest, quominùs intelligamus.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Mens, quatenus ratiocinatur, nihil aliud appetit, quâm intelligere, nec aliud sibi utile esse judicat, nisi id, quod ad intelligendum conducit (per [[#p26|Prop. praec.]]). At Mens (per [[Ethica - Pars II#p41|Prop. 41]] et [[Ethica - Pars II#p43|43 Part. II, cujus etiam Schol.]] vide) rerum certitudinem non habet, nisi quatenus ideas habet adaequatas, sive (quod per [[Ethica - Pars II#p40s1|Schol. Prop. 40 Part. II]] idem est) quatenus ratiocinatur ; ergo nihil certò scimus bonum esse, nisi id, quod ad intelligendum reverâ conducit ; et contrà id malum, quod impedire potest, quominùs intelligamus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p28&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 28 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Summum Mentis bonum est Dei cognitio, et summa Mentis virtus Deum cognoscere.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Summum, quod Mens intelligere potest, Deus est, hoc est (per [[Ethica - Pars I#d6|Def. 6 Part. I]]), Ens absolutè infinitum, et sine quo (per [[Ethica - Pars I#p15|Prop. 15 Part. I]]) nihil esse, neque concipi potest ; adeóque (per [[#p26|Prop. 26]] et [[#p27|27 hujus]]) summum Mentis utile, sive (per [[#d1|Def. 1 hujus]]) bonum est Dei cognitio. Deinde Mens, quatenus intelligit, eatenus tantùm agit (per [[Ethica - Pars III#p1|Prop. 1]] et [[Ethica - Pars III#p3|3 Part. III]]), et eatenus tantum (per [[#p23|Prop. 23 hujus]]) potest absolutè dici, quòd ex virtute agit. Est igitur Mentis absoluta virtus intelligere. At summum, quod Mens intelligere potest, Deus est (ut jam demonstravimus) : Ergo Mentis summa virtus est Deum intelligere, seu cognoscere. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p29&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 29 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Res quaecunque singularis, cujus natura à nostrâ prorsùs est diversa, nostram agendi potentiam nec juvare, nec coërcere potest, et absolutè res nulla potest nobis bona, aut mala esse, nisi commune aliquid nobiscum habeat.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Cujuscunque rei singularis, et consequenter (per [[Ethica - Pars II#p10c|Coroll. Prop. 10 Part. III]]) hominis potentia, quâ existit, et operatur, non determinatur nisi ab aliâ re singulari (per [[Ethica - Pars I#p28|Prop. 28 Part. I]]), cujus natura (per [[Ethica - Pars II#p6|Prop. 6 Part. II]]) per idem attributum debet intelligi, per quod natura humana concipitur. Nostra igitur agendi potentia, quomodocunque ea concipiatur, determinari, et consequenter juvari, vel coërciri potest potentiâ alterius rei singularis, quae aliquid commune nobiscum habet, et non potentiâ rei, cujus natura à nostrâ prorsùs est diversa ; et quia id bonum, aut malum vocamus, quod causa est Laetitiae, aut Tristitiae (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]), quod nostram agendi potentiam auget, vel minuit, juvat, vel coërcet, ergo res, cujus natura à nostrâ prorsus est diversa, nobis neque bona, neque mala esse potest. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p30&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 30 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Res nulla per id, quod cum nostrâ naturâ commune habet, potest esse mala ; sed quatenus nobis mala est, eatenus est nobis contraria.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Id malum vocamus, quod est causa Tristitiae (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]), hoc est (per ejus Def., quam vide in [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]), quod nostram agendi potentiam minuit, vel coërcet. Si igitur res aliqua per id, quod nobiscum habet commune, nobis esset mala, posset ergo res id ipsum, quod nobiscum commune habet, minuere, vel coërcere, quod (per [[Ethica - Pars III#p4|Prop. 4 Part. III]]) est absurdum. Nulla igitur res per id, quod nobiscum commune habet, potest nobis esse mala ; sed contrà quatenus mala est, hoc est (ut jam jam ostendimus), quatenus nostram agendi potentiam minuere, vel coërcere potest, eatenus (per [[Ethica - Pars III#p5|Prop. 5 Part. III]]) nobis est contraria. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p31&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 31 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quatenus res aliqua cum nostrâ naturâ convenit, eatenus necessariò bona est.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus enim res aliqua cum nostrâ naturâ convenit, non potest (per [[#p30|Prop. praeced.]]) esse mala. Erit ergo necessariò vel bona, vel indifferens. Si hoc ponatur, nempe, quod neque bona sit, neque mala, nihil ergo (per Ax. 3 hujus &amp;lt;ref&amp;gt;&amp;lt;small&amp;gt;Les ''Opera posthuma'' portent bien cette référence à un axiome 3 qui n'existe pas dans la Partie IV. D'autres éditeurs ou traducteurs choisissent de lire « per [[#a|Axioma hujus]] », « per [[#d1|Def. 1 hujus]] » (Vloten-Land, Appuhn, Misrahi), « per [[#d2|Def. 2 et 3 hujus]] » (Saisset) ou « per [[Ethica - Pars I#a3|Ax. 3 Part. I]] » (Schmidt et Auerbach). Gebhardt, qu'aucune de ces leçons ne semble satisfaire, préfère conserver cette référence, y voyant le signe que Spinoza aurait écrit primitivement trois axiomes et qu'il aurait oublié ici de se corriger. (N.d.E.)&amp;lt;/small&amp;gt;&amp;lt;/ref&amp;gt;) ex ipsius naturâ sequetur, quod nostrae naturae conservationi inservit, hoc est (per Hypothesin), quod ipsius rei naturae conservationi inservit ; sed hoc est absurdum (per [[Ethica - Pars III#p6|Prop. 6 Part. III]]) ; erit ergo, quatenus cum nostrâ naturâ convenit, necessariò bona. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p31c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Hinc sequitur, quòd res aliqua magis cum nostrâ naturâ convenit, eò nobis est utilior, seu magis bona, et contrà quò res aliqua nobis est utilior, eatenus cum nostrâ naturâ magis convenit. Nam quatenus cum nostrâ naturâ non convenit, erit necessariò à nostrâ naturâ diversa, vel eidem contraria. Si diversa, tum (per [[#p29|Prop. 29 hujus]]) neque bona, neque mala esse poterit ; si autem contraria, erit ergo etiam ei contraria, quae cum nostrâ naturâ convenit, hoc est (per [[#p30|Prop. praec.]]), contraria bono, seu mala. Nihil igitur, nisi quatenus cum nostrâ naturâ convenit, potest esse bonum, atque adeò, quò res aliqua magis cum nostrâ naturâ convenit, eò est utilior, et contrà. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p32&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 32 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quatenus homines passionibus sunt obnoxii, non possunt eatenus dici, quod naturâ conveniunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quae naturâ convenire dicuntur, potentiâ convenire intelliguntur (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), non autem impotentiâ, seu negatione, et consequenter (vide [[Ethica - Pars III#p3s|Schol. Prop. 3 Part. III]]) neque etiam passione ; quare homines, quatenus passionibus sunt obnoxii, non possunt dici, quod naturâ conveniant. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p32s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Res etiam per se patet ; qui enim ait, album, et nigrum in eo solummodò convenire, quòd neutrum sit rubrum, is absolutè affirmat album, et nigrum nullâ in re convenire. Sic etiam si quis ait, lapidem, et hominem in hoc tantùm convenire, quòd uterque sit finitus, impotens, vel quòd ex necessitate suae naturae non existit, vel denique quòd à potentiâ causarum externarum indefinitè superatur, is omninò affirmat, lapidem, et hominem nullâ in re convenire ; quae enim in solâ negatione, sive in eo, quod non habent, conveniunt, ea reverâ nullâ in re conveniunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p33&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 33 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homines naturâ discrepare possunt, quatenus affectibus, qui passiones sunt, conflictantur, et eatenus etiam unus, idemque homo varius est, et inconstans.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectuum natura, seu essentia non potest per solam nostram essentiam, seu naturam explicari (per [[Ethica - Pars III#d1|Def. 1]] et [[Ethica - Pars III#d2|2 Part. III]]), sed potentiâ, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), naturâ causarum externarum, cum nostrâ comparatâ, definiri debet ; unde fit, ut uniuscujusque affectùs tot species dentur, quot sunt species objectorum, à quibus afficimur (vide [[Ethica - Pars III#p56|Prop. 56 Part. III]]), et ut homines ab uno, eodemque objecto diversimodè afficiantur (vide [[Ethica - Pars III#p51|Prop. 51 Part. III]]), atque eatenus naturâ discrepent, et denique ut unus, idemque homo (per eandem Prop. 51 Part. III) erga idem objectum diversimodè afficiatur, atque eatenus varius sit, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p34&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 34 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quatenus homines affectibus, qui passiones sunt, conflictantur, possunt invicem esse contrarii.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Homo ex. gr. Petrus potest esse causa, ut Paulus contristetur, propterea quòd aliquid habet simile rei, quam Paulus odit (per [[Ethica - Pars III#p16|Prop. 16 Part. III]]), vel propterea quòd Petrus solus re aliquâ potitur, quam ipse Paulus etiam amat (vide [[Ethica - Pars III#p32|Prop. 32 Part. III cum ejusdem Schol.]]), vel ob alias causas (harum praecipuas vide in [[Ethica - Pars III#p55s|Schol. Prop. 55 Part. III]]), atque adeò inde fiet (per [[Ethica - Pars III#ad7|Def. 7 Affect.]]), ut Paulus Petrum odio habeat, et consequenter facilè fiet (per [[Ethica - Pars III#p40|Prop. 40 Part. III cum ejus Schol.]]), ut Petrus Paulum contrà odio habeat, atque adeò (per [[Ethica - Pars III#p39|Prop. 39 Part. III]]) ut invicem malum inferre conentur, hoc est (per [[#p30|Prop. 30 hujus]]), ut invicem sint contrarii. At affectus Tristitiae semper passio est (per [[Ethica - Pars III#p59|Prop. 59 Part. III]]) ; ergo homines, quatenus conflictantur affectibus, qui passiones sunt, possunt invicem esse contrarii. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p34s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Dixi, quòd Paulus odio Petrum habeat, quia imaginatur, id eundem possidere, quod ipse Paulus etiam amat ; unde primâ fronte videtur sequi, quòd hi duo ex eo, quòd idem amant, et consequenter ex eo, quòd naturâ conveniunt, sibi invicem damno sint ; atque adeò, si hoc verum est, falsae essent [[#p30|Propositio 30]] et [[#p31|31 hujus Partis]]. Sed si rem aequâ lance examinare velimus, haec omnia convenire omninò videbimus. Nam hi duo non sunt invicem molesti, quatenus naturâ conveniunt, hoc est, quatenus uterque idem amat, sed quatenus ab invicem discrepant. Nam quatenus uterque idem amat, eo ipso utriusque amor fovetur (per [[Ethica - Pars III#p31|Prop. 31 Part. III]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#ad6|Def. 6 Affect.]]), eo ipso utriusque Laetitia fovetur. Quare longè abest, ut quatenus idem amant, et naturâ conveniunt, invicem molesti sint. Sed hujus rei causa, ut dixi, nulla alia est, quàm quia naturâ discrepare supponuntur. Supponimus namque Petrum ideam habere rei amatae jam possessae, et Paulum contrà ideam rei amatae amissae. Unde sit, ut hic Tristitiâ et ille contrà Laetitiâ afficiatur ; atque eatenus invicem contrarii sint. Et ad hunc modum ostendere facilè possumus reliquas odii causas ab hoc solo pendêre, quòd homines naturâ discrepant, et non ab eo, in quo conveniunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p35&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 35 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quatenus homines ex ductu rationis vivunt, eatenus tantùm naturâ semper necessariò conveniunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quatenus homines affectibus, qui passiones sunt, conflictantur, possunt esse naturâ diversi (per [[#p33|Prop. 33 hujus]]), et invicem contrarii (per [[#p34|Prop. praec.]]). Sed eatenus homines tantùm agere dicuntur, quatenus ex ductu rationis vivunt (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), atque adeò quicquid ex humanâ naturâ, quatenus ratione definitur, sequitur, id (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]) per solam humanam naturam, tanquam per proximam suam causam, debet intelligi. Sed quia unusquisque ex suae naturae legibus id appetit, quod bonum, et id amovere conatur, quod malum esse judicat (per [[#p19|Prop. 19 hujus]]) ; et cùm praeterea id, quod ex dictamine rationis bonum, aut malum esse judicamus, necessariò bonum, aut malum sit (per [[Ethica - Pars II#p41|Prop. 41 Part. III]]). Ergo homines, quatenus ex ductu rationis vivunt, eatenus tantùm ea necessariò agunt, quae humanae naturae, et consequenter unicuique homini necessariò bona sunt, hoc est (per [[#p31c|Coroll. Prop. 31 hujus]]), quae cum naturâ uniuscujusque hominis conveniunt ; atque adeò homines etiam inter se, quatenus ex ductu rationis vivunt, necessariò semper conveniunt. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p35c1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium 1 :''' Nihil singulare in rerum naturâ datur, quod homini sit utilius, quàm homo, qui ex ductu rationis vivit. Nam id homini utilissimum est, quod cum suâ naturâ maximè convenit (per [[#p31c|Coroll. Prop. 31 hujus]]), hoc est (ut per se notum), homo. At homo ex legibus suae naturae absolutè agit, quando ex ductu rationis vivit (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]), et eatenus tantùm cum naturâ alterius hominis necessariò semper convenit (per Prop. praec.) ; ergo homini nihil inter res singulares utilius datur, quàm homo. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p35c2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium 2 :''' Cùm maximè unusquisque homo suum sibi utile quaerit, tum maximè homines sunt sibi invicem utiles. Nam quò magis unusquisque suum utile quaerit, et se conservare conatur, eò magis virtute praeditus est (per [[#p20|Prop. 20 hujus]]), sive quod idem est (per [[#d8|Def. 8 hujus]]), eò majore potentiâ praeditus est ad agendum ex suae naturae legibus, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), ad vivendum ex ductu rationis. At homines tum maximè naturâ conveniunt, cùm ex ductu rationis vivunt (per Prop. praec.) ; ergo (per praec. Coroll.) tum maximè homines erunt sibi invicem utiles, cùm maximè unusquisque suum utile sibi quaerit. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p35s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Quae modò ostendimus, ipsa etiam experientia quotidie tot, tamque luculentis testimoniis testatur, ut omnibus ferè in ore sit : hominem homini Deum esse. Fit tamen rarò, ut homines ex ductu rationis vivant ; sed cum iis ità comparatum est, ut plerumque invidi, atque invicem molesti sint. At nihilominùs vitam solitariam vix transfingere queunt, ità ut plerisque illa definitio, quòd homo sit animal sociale, valdè arriserit ; et reverâ res ità se habet, ut ex hominum communi societate multò plura commoda oriantur, quàm damna. Rideant igitur, quantùm velint, res humanas Satyrici, easque detestentur Theologi, et laudent, quantùm possunt, Melancholici vitam incultam, et agrestem, hominesque contemnant, et admirentur bruta ; experientur tamen homines mutuo auxilio ea, quibus indigent, multò faciliùs sibi parare, et non nisi junctis viribus pericula, quae ubique imminent, vitare posse ; ut jam taceam, quòd multò praestabilius sit, et cognitione nostrâ magis dignum, hominum, quàm brutorum facta contemplari. Sed de his aliàs prolixiùs.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p36&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 36 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Summum bonum eorum, qui virtutem sectantur, omnibus commune est, eoque omnes aequè gaudere possunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Ex virtute agere est ex ductu rationis agere (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]), et quicquid ex ratione conamur agere, est intelligere (per [[#p26|Prop. 26 hujus]]), atque adeò (per [[#p28|Prop. 28 hujus]]) summum bonum eorum, qui virtutem sectantur, est Deum cognoscere, hoc est (per [[Ethica - Pars II#p47|Prop. 47 Part. II et ejusdem Schol.]]), bonum, quod omnibus hominibus commune est, et ab omnibus hominibus, quatenus ejusdem sunt naturae, possideri aequè potest. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p36s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Si quis autem roget, quid si summum bonum eorum, qui virtutem sectantur, non esset omnibus commune ? an non inde, ut suprà (vide [[#p34|Prop. 34 hujus]]) sequeretur, quòd homines, qui ex ductu rationis vivunt, hoc est (per [[#p35|Prop. 35 hujus]]), homines, quatenus naturâ conveniunt, essent invicem contrarii ? Is hoc sibi responsum habeat, non ex accidenti, sed ex ipsâ naturâ rationis oriri, ut hominis summum bonum omnibus sit commune, nimirùm, quia ex ipsâ humanâ essentiâ, quatenus ratione definitur, deducitur ; et quia homo nec esse, nec concipi posset, si potestatem non haberet gaudendi hoc summo bono. Pertinet namque (per [[Ethica - Pars II#p47|Prop. 47 Part. II]]) ad Mentis humanae essentiam, adaequatam habere cognitionem aeternae, et infinitae essentiae Dei.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p37&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 37 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Bonum, quod unusquisque, qui sectatur virtutem, sibi appetit, reliquis hominibus etiam cupiet, et eo magis, quo majorem Dei habuerit cognitionem.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Homines, quatenus ex ductu rationis vivunt, sunt homini utilissimi (per [[#p35c1|Coroll. 1 Prop. 35 hujus]]), atque adeò (per [[#p19|Prop. 19 hujus]]) ex ductu rationis conabimur necessariò efficere, ut homines ex ductu rationis vivant. At bonum, quod unusquisque, qui ex rationis dictamine vivit, hoc est (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]), qui virtutem sectatur, sibi appetit, est intelligere (per [[#p26|Prop. 26 hujus]]) ; ergo bonum, quod unusquisque, qui virtutem sectatur, sibi appetit, reliquis hominibus etiam cupiet. Deinde Cupiditas, quatenus ad Mentem refertur, est ipsa Mentis essentia (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. Affect. Def.]]) ; Mentis autem essentia in cognitione consistit (per [[Ethica - Pars II#p11|Prop. 11 Part. II]]), quae Dei cognitionem involvit (per [[Ethica - Pars II#p47|Prop. 47 Part. II]]), et sine quâ (per [[Ethica - Pars I#p15|Prop. 15 Part. I]]) nec esse, nec concipi potest ; adeóque quò Mentis essentia majorem Dei cognitionem involvit, eò Cupiditas, quâ is, qui virtutem sectatur, bonum, quod sibi appetit, alteri cupit, etiam major erit. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Aliter :''' Bonum, quod homo sibi appetit, et amat, constantiùs amabit, si viderit, alios idem amare (per [[Ethica - Pars III#p31|Prop. 31 Part. III]]) ; atque adeò (per [[Ethica - Pars III#p31c|Coroll. ejusdem Prop.]]) conabitur, ut reliqui idem ament ; et quia hoc bonum (per [[#p36|Prop. praec.]]), omnibus commune est, eoque omnes gaudere possunt, conabitur ergo (per eandem rationem), ut omnes eodem gaudeant, et (per [[Ethica - Pars III#p37|Prop. 37 Part. III]]) eò magis, quò hoc bono magis fruetur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p37s1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium 1 :''' Qui ex solo affectu conatur, ut reliqui ament, quo ipse amat, et ut reliqui ex ipsius ingenio vivant, solo impetu agit, et ideò odiosus est, praecipuè iis, quibus alia placent, quique propterea etiam student, et eodem impetu conantur, ut reliqui contrà ex ipsorum ingenio vivant. Deinde quoniam summum, quod homines ex affectu appetunt, bonum saepe tale est, ut unus tantùm ejus possit esse compos, hinc fit, ut qui amant, mente sibi non constent, et dum laudes rei, quam amant, narrare gaudent, timeant credi. At qui reliquos conatur ratione ducere, non impetu, sed humaniter, et benignè agit, et sibi mente maximè constat. Porrò quicquid cupimus, et agimus, cujus causa sumus, quatenus Dei habemus ideam, sive quatenus Deum cognoscimus, ad ''Religionem'' refero. Cupiditatem autem bene faciendi, quae eo ingeneratur, quòd ex rationis ductu vivimus, ''Pietatem'' voco. Cupiditatem deinde, quâ homo, qui ex ductu rationis vivit, tenetur, ut reliquos sibi amicitiâ jungat, ''Honestatem'' voco, et id honestum, quod homines, qui ex ductu rationis vivunt, laudant, et id contrà turpe, quod conciliandae amicitiae repugnant. Praeter haec, civitatis etiam quaenam sint fundamenta ostendi. Differentia deinde inter veram virtutem, et impotentiam facilè ex suprà dictis percipitur ; nempe quòd vera virtus nihil aliudsit, quàm ex solo rationis ductu vivere ; atque adeò impotentia in hoc loco consistit, quòd homo à rebus, quae extra ipsum sunt, duci se patiatur, et ab iis ad ea agendum determinetur, quae rerum externarum communis constitutio, non autem ea, quae ipsa ipsius natura, in se solâ considerata, postulat. Atque haec illa sunt, quae in [[#p18s|Scholio Propositionis 18 hujus Partis]] demonstrare promisi, ex quibus apparet legem illam de non mactandis brutis, magis vanà superstitione, et muliebri misericordiâ, quàm sanâ ratione fundatam esse. Docet quidem ratio nostrum utile quaerendi, necessitudinem cum hominibus jungere, sed non cum brutis, aut rebus, quarum natura à naturâ humanâ est diversa ; sed idem jus, quod illa in nos habent, nos in ea habere. imò quia uniuscujusque jus virtute, seu potentiâ uniuscujusque definitur, longè majus homines in bruta, quàm haec in homines jus habent. Nec tamen nego bruta sentire? sed nego, quòd propterea non liceat nostrae utilitati consulere, et iisdem ad libitum uti, eadeóque tractare, prout nobis magis convenit ; quandoquidem nobiscum naturâ non conveniunt, et eorum affectûs ab affectibus humanis sunt naturâ diversi (vide [[Ethica - Pars III#p57s|Schol. Prop. 57 Part. III]]). Superest, ut explicem, quid justum, quid injustum, quid peccatum, et quid denique meritum sit. Sed de his seq. Scholium.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p37s2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium 2 :''' In [[Ethica - Pars I#ap|Appendice Partis primae]] explicare promisi, quid laus, et vituperium, quid meritum, et peccatum, quid justum, et injustum sit. Laudem, et vituperium quod attinet, in [[Ethica - Pars III#p29s|Scholio Propositionis 29 Partis III]] explicui ; de reliquis autem hîc jam erit dicendi locus. Sed priùs pauca de statu hominis naturali, et civili dicenda sunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Existit unusquisque summo naturae jure, et consequenter summo naturae jure unusquisque ea agit, quae ex suae naturae necessitate sequuntur ; atque adeò summo naturae jure unusquisque judicat, quid bonum, quid malum sit, suaeque utilitati ex suo ingenio consulit (vide [[#p19|Prop. 19]] et [[#p20|20 hujus]]), seseque vindicat (vide [[Ethica - Pars III#p40c2|Coroll. 2 Prop. 40 Part. III]]), et id, quod amat, conservare, et id, quod odio habet, destruere conatur (vide [[Ethica - Pars III#p28|Prop. 28 Part. III]]). Quòd si homines ex ductu rationis viverent, potiretur unusquisque (per [[#p35c1|Coroll. 1 Prop. 35 hujus]]) hoc suo jure absque ullo alterius damno. Sed quia affectibus sunt obnoxii (per [[#p4c|Coroll. Prop. 4 hujus]]), qui potentiam, seu virtutem humanam longè superant (per [[#p6|Prop. 6 hujus]]), ideò saepe diversi trahuntur (per [[#p33|Prop. 33 hujus]]), atque sibi invicem sunt contrarii (per [[#p34|Prop. 34 hujus]]), mutuo dum auxilio indigent (per [[#p35s|Schol. Prop. 35 hujus]]). Ut igitur homines concorditer vivere, et sibi auxilio esse possint, necesse est, ut jure suo naturali cedant, et se invicem securos reddant, se nihil acturos, quod possit in alterius damnum cedere. Quâ autem ratione hoc fieri possit, ut scilicet homines, qui affectibus necessariò sunt obnoxii (per [[#p4c|Coroll. Prop. 4 hujus]]), atque inconstantes, et varii (per [[#p33|Prop. 33 hujus]]), possint se invicem securos reddere, et fidem invicem habere, patet ex [[#p7|Propositione 7 hujus Partis]] et [[Ethica - Pars III#p39|Propositione 39 Partis III]]. Nempe quòd nullus affectus coërciri potest, nisi affectu fortiore, et contrario affectui coërcendo, et quòd unusquisque ab inferendo damno abstinet timore majoris damni. Hâc igitur lege Societas firmari poterit, si modò ipsa sibi vindicet jus, quod unusquisque habet, sese vindicandi, et de bono, et malo judicandi, quaeque adeò potestatem habeat communem vivendi rationem praescribendi, legesque ferendi, easque non ratione, quae affectûs coërcere nequit (per [[#p17s|Schol. Prop. 17 hujus]]), sed minis firmandi. Haec autem Societas, legibus, et potestate sese conservandi firmata, ''Civitas'' appellatur, et, qui ipsius jure defenduntur, ''Cives'' ; ex quibus facilè intelligimus, nihil in statu naturali dari, quod ex omnium consensu bonum, aut malum sit ; quandoquidem unusquisque, qui in statu est naturali, suae tantummodò utilitari consulit, et ex suo ingenio, et quatenus suae utilitatis tantùm habet rationem, quid bonum, quidve malum sit, decernit, et nemini, nihil sibi soli, obtemperare lege ullâ tenetur ; atque adeò in statu naturali peccatum concipi nequit. At quidem in statu civili, ubi et communi consensu decernitur, quid bonum, quive malum sit, et unusquisque civitati obtemperare tenetur. Est itaque peccatum nihil aliud, quàm inobedentia, quae propterea solo civitatis jure punitur, et contrà obedentia civi meritum ducitur, quia eo ipso dignus judicatur, qui civitatis commodis gaudeat. Deinde in statu naturali nemo ex communi consensu alicujus rei est Dominus, nec in Naturâ aliquid datur, quod possit dici hujus hominis esse, et non illius ; sed omnia omnium sunt ; ac proinde in statu naturali nulla potest concipi voluntas unicuique suum tribuendi, aut alicui id, quod ejus sit, eripiendi, hoc est, in statu naturli nihil sit, quod justum, aut injustum possit dici ; at quidem in statu civili, ubi ex communi consensu decernitur, quid hujus, quidve illius sit. Ex quibus apparet, justum, et injustum, peccatum, et meritum notiones esse extrinsecas, non autem attributa, quae Mentis naturam explicent. Sed de his satis.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p38&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 38 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Id, quod Corpus humanum ità disponit, ut pluribus modis possit affici, vel quod idem aptum reddit ad Corpora externa pluribus modis afficiendum, homini est utile ; et eo utilius, quo Corpus ab eo aptius redditur, ut pluribus modis afficiatur, aliaque corpora afficiat, et contrà id noxium est, quod Corpus ad haec minùs aptum reddit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quo Corpus ad haec aptius redditur, eo Mens aptior ad percipiendum redditur (per [[Ethica - Pars II#p14|Prop. 14 Part. II]]) ; adeóque id, quod Corpus hâc ratione disponit, aptumque ad haec reddit, est necessariò bonum, seu utile (per [[#p26|Prop. 26]] et [[#p27|27 hujus]]), et eo utilius, quo Corpus ad haec aptius potest reddere, et contrà (per eandem [[Ethica - Pars II#p14|Prop. 14 Part. II]] inversam, et [[#p26|Prop. 26]] et [[#p27|27 hujus]]) noxium, si Corpus ad haec minùs aptum reddat. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p39&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 39 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quae efficiunt, ut motûs, et quietis ratio, quam Corporis humani partes ad invicem habent, conservetur, bona sunt ; et ea contrà mala, quae efficiunt, ut Corporis humani partes aliam ad invicem motûs, et quietis habeant rationem.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Corpus humanum indiget, ut conservetur, plurimis aliis corporibus (per [[Ethica - Pars II#ps4|Postul. 4 Part. II]]). At id, quod formam humani Corporis constituit, in hoc consistit, quòd ejus partes motûs suos certâ quâdam ratione sibi invicem communicent (per [[Ethica - Pars II#p13d|Def. ante Lem. 4, quam vide post Prop. 13 Part. II]]). Ergo quae efficiunt, ut motûs, et quietis ratio, quam Corporis humani partes ad invicem habent, conservetur, eadem humani Corporis formam conservant, et consequenter efficiunt (per [[Ethica - Pars II#ps3|Postul. 3]] et [[Ethica - Pars II#ps6|6 Part. II]]), ut Corpus humanum multis modis affici, et ut idem corpora externa multis modis afficere possit ; adeóque (per [[#p38|Prop. praec.]]) bona sunt. Deinde, quae efficiunt, ut Corporis humani partes aliam motûs, et quietis rationem obtineant, eadem (per [[Ethica - Pars II#p13d|eandem Def. Part. II]]) efficiunt, ut Corpus humanum aliam formam induat, hoc est (ut per se notum, et in [[#prf|fine praefationis, hujus Partis]] monuimus), ut Corpus humanum destruatur, et consequenter ut omninò ineptum reddatur, ne possit pluribus modis affici, ac proinde (per [[#p38|Prop. praec.]]) mala sunt. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p39s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Quantum haec Menti obesse, vel prodesse possunt, in Quintâ Parte explicabitur. Sed hîc notandum, quòd Corpus tum mortem obire intelligam, quando ejus partes ità disponuntur, ut aliam motûs, et quietis rationem ad invicem obtineant. Nam negare non audeo Corpus humanum, retentâ sanguinis circulatione, et aliis, propter quae Corpus vivere existimatur, posse nihilominùs in aliam naturam à suâ prorsùs diversam mutari. Nam nulla ratio me cogit, ut statuam Corpus non mori, nisi mutetur in cadaver ; quin ipsa experientia aliud suadere videtur. Fit namque aliquando, ut homo tales patiatur mutationes, ut non facilè eundem illum esse dixerim, ut de quodam Hispano Poëtâ narrare audivi, qui morbo correptus suerat, et quamvis ex eo convaluerit, mansit tamen praeteritae suae vitae tam oblitus, ut Fabulas, et Tragoedias, quas fecerat, suas non crediderit esse, et sanè pro infante adulto haberi potuisset, si vernaculae etiam linguae fuisset oblitus. Et si hoc incredibile videtur, quid de infantibus dicemus ? Quorum naturam homo provectae aetatis à suâ tam diversam esse credit, ut persuaderi non posset, se unquam infantem fuisse, nisi ex aliis de se conjecturam faceret. Sed ne superstitiosis materiam suppeditem movendi novas quaestiones, malo haec in medio relinquere.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p40&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 40 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quae ad hominum communem Societatem conducunt, sive quae efficiunt, ut homines concorditer vivant, utilia sunt ; et illa contrà mala, quae discordiam in Civitatem inducunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Nam quae efficiunt, ut homines concorditer vivant, simul efficiunt, ut ex ductu rationis vivant (per [[#p35|Prop. 35 hujus]]), atque adeò (per [[#p26|Prop 26]] et [[#p27|27 hujus]]) bona sunt, et (per eandem rationem) illa contrà mala sunt, quae discordias concitant. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p41&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 41 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Laetitia directè mala non est, sed bona ; Tristitia autem contrà directè est mala.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Laetitia (per [[Ethica - Pars III#p11|Prop. 11 Part. III cum ejusdem Schol.]]) est affectus, quo corporis agendi potentia augetur, vel juvatur ; Tristitia autem contrà est affectus, quo corporis agendi potentia minuitur, vel coërcetur ; adeóque (per [[#p38|Prop. 38 hujus]]) Laetitia directè bona est, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p42&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 42 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Hilaritas excessum habere nequit, sed semper bona est, et contrà Melancholia semper mala.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Hilaritas (vide ejus Def. in [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]) est Laetitia, quae, quatenus ad Corpus refertur, in hoc consistit, quòd Corporis omnes partes pariter sint affectae, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p11|Prop. 11 Part. III]]) quòd Corporis agendi potentia augetur, vel juvatur, ità ut omnes ejus partes eandem ad invicem motûs, et quietis rationem obtineant ;  atque adeò (per [[#p39|Prop. 39 hujus]]) Hilaritas semper est bona, nec excessum habere potest. At Melancholia (cujus etiam Def. vide in [[Ethica - Pars III#p11s|eodem Schol. Prop. 11 Part. III]]) est Tristitia, quae, quatenus ad Corpus refertur, in hoc consistit, quòd Corporis agendi potentia absolutè minuitur, vel coërcetur ; adeóque (per [[#p38|Prop. 38 hujus]]) semper est mala. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p43&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 43 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Titillatio excessum habere potest, et mala esse ; Dolor autem eatenus potest esse bonus, quatenus Titillatio, seu Laetitia est mala.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Titillatio est Laetitia, quae, quatenus ad Corpus refertur, in hoc consistit, quòd una, vel aliquot ejus partes prae reliquis afficiuntur (vide ejus Def. in [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]), cujus affectûs potentia tanta esse potest, ut reliquas Corporis actiones superet (per [[#p6|Prop. 6 hujus]]),  eique pertinaciter adhaereat, atque adeò impediat, quominùs Corpus aptum sit, ut plurimis aliis modis afficiatur, adeóque (per [[#p38|Prop. 38 hujus]]) mala esse potest. Deinde Dolor, qui contrà Tristitia est, in se solo consideratus, non potest esse bonus (per [[#p41|Prop. 41 hujus]]). Verùm quia ejus vis, et incrementum definitur potentiâ causae externae cum nostrâ comparatâ (per [[#p5|Prop. 5 hujus]]), possumus ergo hujus affectûs infinitos virium concipere gradûs, et modos (per [[#p3|Prop. 3 hujus]]) ; atque adeò eundem talem concipere, qui Titillationem possit coërcere, ut excessum non habeat, et eatenus (per primam partem Prop. hujus) efficere, ne corpus minùs aptum reddatur, ac proinde eatenus erit bonus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p44&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 44 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Amor, et Cupiditas excessum habere possunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Amor est Laetitia (per [[Ethica - Pars III#ad6|Def. 6 Affect.]]), concomitante ideâ causae externae : Titillatio igitur (per [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]), concomitante ideâ causae externae Amor est ; atque adeò Amor (per [[#p43|Prop. praec.]]) excessum habere potest. Deinde Cupiditas eò est major, quo affectus, ex quo oritur, major est (per [[Ethica - Pars III#p37|Prop. 37 Part. III]]). Quare ut affectus (per Prop. 6 hujus) reliquas hominis actiones superare potest, sic etiam Cupiditas, quae ex eodem affectu oritur, reliquas Cupiditates superare, ac proinde eundem excessum habere poterit, quem in [[#p43|praecedenti Propositione]] Titillationem habere ostendimus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p44s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Hilaritas, quam bonam esse dixi, concipitur faciliùs, quàm observatur. Nam affectûs, quibus quotidie conflictamur, referuntur plerumque ad aliquam Corporis partem, quae prae reliquis afficitur, ac proinde affectûs ut plurimum excessum habent, et Mentem in solâ unius objecti contemplatione ità detinent, ut de aliis cogitare nequeat ; et quamvis homines pluribus affectibus obnoxii sint, atque adeò rari reperiantur, qui semper uno, eodemque affectu conflictentur, non desunt tamen, quibus unus, idemque affectus pertinaciter adhaereat. Videmus enim homines aliquando ab uno objecto ità affici, ut quamvis praesens non sit, ipum tamen coram habere credant, quod quando homini non dormienti accidit, eundem delirare dicimus, vel insanire ; nec minûs insanire creduntur, qui Amore ardent, quique noctes, atque dies solam amasiam, vel meretricem somniant, qui risum movere solent. At cùm avarus de nullâ aliâ re, quàm de lucro, vel de nummis cogitet, et ambitiosus de gloriâ, etc. hi non creduntur delirare, quia molesti solent esse, et Odio digni aestimantur. Sed reverâ Avaritia, Ambitio, Libido, etc. delirii species sunt, quamvis inter morbos non numerentur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p45&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 45 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Odium nunquam potest esse bonum.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Hominem, quem odimus, destruere conamur (per [[Ethica - Pars III#p39|Prop. 39 Part. III]]), hoc est (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]), aliquid conamur, quod malum est. Ergo etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p45s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Nota, me hîc, et in seqq. per Odium illud tantùm intelligere, quod est erga homines.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p45c1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium 1 :''' Invidia, Irrisio, Contemptus, Ira, Vindicta, et reliqui affectûs, qui ad Odium referuntur, vel ex eodem oriuntur, mali sunt, quod etiam ex Prop. 39 P. III et Prop. 37 hujus patet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p45c2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium 2 :''' Quicquid ex eo, quòd odio affecti sumus, appetimus, turpe, et in Civitate injustum est. Quod etiam patet ex [[Ethica - Pars III#p39|Prop. 39 Part. III]] et ex Definitione turpis, et injusti, quas vide in [[#p37s1|Schol. Prop. 37 hujus]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p45c2s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Inter Irrisionem (quam in 1. Coroll. malam esse dixi), et risum magnam agnosco differentiam. Nam risus, ut et jocus mera est Laetitia ; adeóque, modo excessum non habeat, per se bonus est (per [[#p41|Prop. 41 hujus]]). Nihil profectò nisi torva, et tristis superstitio delectari prohibet. Nam qui magis decet famem, et sitim extinguere, quàm melancholiam expellere ? Mea haec est ratio, et sic animum induxi meum. Nullum numen, nec alius, nisi invidus, meâ impotentiâ, et incommodo delectatur, nec nobis lacrimas, singultûs, metum, et alia hujusmodi, quae animi impotentis sunt signa, virtuti ducit? sed contrà, quo majori Laetitiâ afficimur, eo ad majorem perfectionem transimus, hoc est, eo nos magis de naturâ divinâ participare necesse est. Rebus itaque uti, et iis, quantum fieri potest, delectari (non quidem ad nauseam usque, nam hoc delctari non est) viri est sapientis. Viri, inquam, sapientis est, moderato, et suavi cibo, et potu se reficere, et recreare, ut et odoribus, plantarum virentium amaenitate, ornatu, musicâ, ludis exercitatoris, theatris, et aliis hujusmodi, quibus unusquique absque ullo alterius damno uti potest. Corpus namque humanum ex plurimis diversae naturae partibus componitur, quae continuò novo alimanto indigent, et vario, ut totum Corpus ad omnia, quae ex ipsius naturâ sequi possunt, aequè aptum sit, et consequenter ut Mens etiam aequè apta sit ad plura simul intelligendum. Hoc itaque vivendi institutum et cum nostris principiis, et cum communi praxi optimè convenit? quare, si quae alia, haec vivendi ratio optima est, et omnibus modis commendanda, nec opus est, de his clariùs, neque prolixiùs agere.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p46&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 46 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Qui ex ductu rationis vivit, quantum potest, conatur alterius in ipsum Odium, Iram, Contemptum, etc. Amore contrà, sive Generositate compensare.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Omnes Odii affectûs mali sunt (per [[#p45c1|Coroll. 1 praec. Prop.]]) ; adeóque, qui ex ductu rationis vivit, quantùm potest, conabitur efficere, ne Odii affectibus conflictetur (per [[#p19|Prop. 19 hujus]]), et consequenter (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]) conabitur, ne etiam alius eosdem patiatur affectûs. At Odium Odio reciproco augetur, et Amore contrà extingui potest (per [[Ethica - Pars III#p43|Prop. 43 Part. III]]), ità ùt Odium in Amorem transeat (per [[Ethica - Pars III#p44|Prop. 44 Part. III]]). Ergo qui ex ductu rationis vivit, alterius Odium etc. Amore contrà compensare conabitur, hoc est, Generositate (cujus Def. vide in [[Ethica - Pars III#p59s|Schol. Prop. 59 Part. III]]). Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p46s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Qui injurias reciproco Odio vindicare vult, miserè profectò vivit. At qui contrà studet Odium Amore expugnare, ille sanè laetus, et securè pugnat ; aequè facilè pluribus hominibus, ac uni resistit, et fortunae auxilio quàm minimè indiget. Quos verò vincit, ii laeti cedunt, non quidem ex defectu, sed ex incremento virium ; quae omnia adeò clarè ex solis Amoris, et intellectûs definitionibus sequuntur, ut opus non sit eadem sigillatim demonstrare.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p47&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 47 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Spei, et Metûs affectûs non possunt esse per se boni.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Spei, et Metûs affectûs sine Tristitiâ non dantur. Nam Metus est (per [[Ethica - Pars III#ad13|13. Affect. Def.]]) Tristitia ; et Spes (vide [[Ethica - Pars III#ad12|Explicationem 12 et 13 Affect. Def.]]) non datur sine Metu, ac proinde (per [[#p41|Prop. 41 hujus]]) hi affectûs non possunt esse per se boni, sed tantùm quatenus Laetitiae excessum coërcere possunt (per [[#p43|Prop. 43 hujus]]). Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p47s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Huc accedit, quòd hi affectûs cognitionis defectum, et Mentis impotentiam indicant ; et hâc de causâ etiam Securitas, Desperatio, Gaudium, et Conscientiae morsus animi impotentis sunt signa. Nam, quamvis Securitas, et Gaudium affectûs sint Laetitiae, Tristitiam tamen eosdem praecessisse supponunt, nempe Spem, et Metum. Quò itaque magis ex ductu rationis vivere conamur, eò magis Spe minùs pendêre, et Metu nosmet liberare, et fortunae, quantùm possumus, imperare conamur, nostrasque actiones certo rationis consilio dirigere.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p48&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 48 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Affectûs Existimationis, et Despectûs semper mali sunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Hi enim affectûs (per [[Ethica - Pars III#ad21|21.]] et [[Ethica - Pars III#ad22|22. Affect. Def.]]) rationi repugnant ; adeóque (per [[#p26|Prop. 26]] et [[#p27|27 hujus]]) mali sunt. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p49&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 49 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Existimatio facilè hominem, qui existimatur, superbum reddit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Si videmus, aliquem de nobis plùs justo prae amore sentire, facilè gloriabimur (per [[Ethica - Pars III#p41s|Schol. Prop. 41 Part. III]]), sive Laetitiâ afficiemur (per [[Ethica - Pars III#ad30|30. Affect. Def.]]) ; et id boni, quod de nobis praedicari audimus, facilè credemus (per [[Ethica - Pars III#p25|Prop. 25 Part. III]]) ; atque adeò de nobis prae amore nostri plùs justo sentiemus, hoc est (per [[Ethica - Pars III#ad28|Def.  28 Affect.]]), facilè superbiemus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p50&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 50 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Commiseratio in homine, qui ex ductu rationis vivit, per se mala, et inutilis est.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Commiseratio enim (per [[Ethica - Pars III#ad18|18. Affect. Def.]]) Tristitia est ; ac proinde (per [[#p41|Prop. 41 hujus]]) per se mala ; bonum autem, quod ex eâ sequitur, quòd scilicet hominem, cujus non miseret, à miseriâ liberare conamur (per [[Ethica - Pars III#p27c3|Coroll. 3 Prop. 27 Part. III]]), ex solo rationis dictamine facere cupimus (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]), nec nisi ex solo rationis dictamine aliquid, quod certò scimus bonum esse, agere possumus (per [[#p27|Prop. 27 hujus]]) ; atque adeò commiseratio in homine, qui ex ductu rationis vivit, per se mala est, et inutile. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p50c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Hinc sequitur, quod homo, qui ex dictamine rationis vivit, conatur, quantùm potest, efficere, ne commiseratione tangatur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p50s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Qui rectè novit omnia ex naturae divinae necessitate sequi, et secundùm aeternas naturae leges, et regulas fieri, is sanè nihil reperiet, quod Odio, Risu, aut Contemptu dignum sit, nec cujusquam miserebitur ; sed, quantùm humana fert virtus, conabitur bene agere, ut ajunt, et laetari. Huc accedit, quod is, qui Commiserationis affectu facilè tangitur, et alterius miseriâ, vel lacrimis movetur, saepe aliquid agit, cujus postea ipsum poenitet ; tam quia ex affectu nihil agimus, quod certò scimus bonum esse, quàm quia facilè falsis lacrimis decipimur. Atque hîc expressè loquor de homine, qui ex ductu rationis vivit. Nam, qui nec ratione, nec commiseratione movetur, ut aliis auxilio sit, is rectè inhumanus appellatur. Nam (per [[Ethica - Pars III#p27|Prop. 27 Part. III]]) homini dissimilis esse videtur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 51 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Favor rationi non repugnat ; sed cum eâdem convenire, et ab eâdem oriri potest.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Est enim Favor Amor erga illum, qui alteri benefecit (per [[Ethica - Pars III#ad19|19. Affect. Def.]]), atque adeò ad Mentem referri potest, quatenus haec agere dicitur (per [[Ethica - Pars III#p59|Prop. 59 Part. III]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), quatenus intelligit, ac proinde cum ratione convenit, etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Aliter :''' Qui ex ductu rationis vivit, bonum, quod sibi appetit, alteri etiam cupit (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]) ; quare ex eo, quòd ipse aliquem videt alteri benefacere, ipsius benefaciendi conatus juvatur, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p11s|Schol. Prop. 11 Part. III]]), laetabitur, idque (ex Hypothesi) concomitante ideâ illius, qui alteri benefecit, ac proinde (per [[Ethica - Pars III#ad19|19. Affect. Def.]]) ei favet. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p51s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Indignatio, prout ipsa à nobis definitur (vide [[Ethica - Pars III#ad20|20. Affect. Def.]]), est necessariò mala (per [[Ethica - Pars III#p45|Prop. 45 hujus]]) ; sed notandum, quòd quando summa potestas desiderio, quo tenetur, tutandae pacis civem punit, qui alteri injuriam fecit, eandem civi indignari non dico, quia non Odio percita ad perdendum civem, sed pietate mota eundem punit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p52&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 52 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Acquiescentia in se ipso ex ratione oriri potest, et ea sola acquiescentia, quae ex ratione oritur, summa est, quae potest dari.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Acquiescentia in se ipso est Laetitia orta ex eo, quòd homo se ipsum, suamque agendi potentiam contemplatur (per [[Ethica - Pars III#ad25|25. Affect. Def.]]). At vera hominis agendi potentia, seu virtus est ipsa ratio (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), quam homo clarè, et distinctè contemplatur (per [[Ethica - Pars II#p40|Prop. 40]] et [[Ethica - Pars II#p43|Prop. 43 Part. II]]). Ergo acquiescentia in se ipso ex ratione oritur. Deinde nihil homo, dum se ipsum contemplatur, clarè et distinctè, sive adaequatè percipit, nisi ea, quae ex ipsius agendi potentiâ sequuntur (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]), hoc est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), quae ex ipsius intelligendi potentiâ sequuntur ; adeóque ex solâ hâc contemplatione summa, quae dari potest, acquiescentia oritur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p52s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Est reverâ Acquiescentia in se ipso summum, quod sperare possumus. Nam (ut [[#p25|Prop. 25 hujus]] ostendimus) nemo suum esse alicujus finis causâ conservare conatur, et quia haec Acquiescentia magis magisque fovetur, et corroboratur laudibus (per [[Ethica - Pars III#p53c|Coroll. Prop. 53 Part. III]]), et contrà (per [[Ethica - Pars III#p55c1|Coroll. Prop. 55 Part. III]]) vituperio magis magisque turbatur ; ideo gloriâ maximè ducimur, et vitam cum probro vix ferre possumus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p53&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 53 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Humilitas virtus non est, sive ex ratione non oritur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Humilitas est Tristitia, quae ex eo oritur, quòd homo suam impotentiam contemplatur (per [[Ethica - Pars III#ad26|26. Affect. Def.]]). Quatenus autem homo se ipsum verâ ratione cognoscit, eatenus suam essentiam intelligere supponitur, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7 Part. III]]), suam potentiam. Quare si homo, dum se ipsum contemplatur, aliquam suam impotentiam percipit, id non ex eo est, quòd se intelligit, sed (ut [[Ethica - Pars III#p55|Prop. 55 Part. III]] ostendimus) ex eo, quòd ipsius agendi potentia coërcetur. Quod si supponamus, hominem suam impotentiam concipere ex eo, quòd aliquid se potentius intelligit, cujus cognitione suam agendi potentiam determinat, tum nihil aliud concipimus, quàm quòd homo se ipsum distinctè intelligit, sive (per [[#p26|Prop. 26 hujus]]) quòd ipsius agendi potentia juvatur. Quare Humilitas, seu Tristitia, quae ex eo oritur, quod homo suam impotentiam contemplatur, non ex verâ contemplatione, seu ratione oritur, nec virtus, sed passio est. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p54&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 54 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Pœnitentia virtus non est, sive ex ratione non oritur ; sed is, quem facti pœnitet, bis miser, seu impotens est.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Hujus prima pars demonstratur, ut praeced. Propositio. Secunda autem ex solâ hujus affectûs Definitione (vide [[Ethica - Pars III#ad27|27. Affect. Def.]]) patet. Nam primò pravâ Cupiditate, dein Tristitiâ vinci se patitur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p54s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Quia homines rarò ex dictamine rationis vivunt, ideò hi duo affectûs, nempe Humilitas, et Poenitentia, et praeter hos Spes, et Metus plus utilitatis, quàm damni afferunt ; atque adeò, quandoquidem peccandum est, in istam partem potiùs peccandum. Nam, si homines animo impotentes aequè omnes superbirent, nullius rei ipsos puderet, nec ipsi quicquam metuerent, quî vinculis conjungi, constringique possent ? Terret vulgus, nisi metuat ; quare non mirum, quòd Prophetae, qui non paucorum, sed communi utilitati consuluerunt, tantopere Humilitatem, Poenitentiam, et Reverentiam commendaverint. Et reverâ, qui hisce affectibus sunt obnoxii, multò faciliùs, quàm alii, duci possunt, ut tandem ex ductu rationis vivant, hoc est, ut liberi sint, et beatorum vitâ fruantur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p55&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 55 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Maxima Superbia, vel Abjectio est maxima sui ignorantia.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Patet ex [[Ethica - Pars III#ad28|Def. 28]] et [[Ethica - Pars III#ad29|29 Affect.]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p56&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 56 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Maxima Superbia, vel Abjectio maximam animi impotentiam indicat.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Primum virtutis fundamentum est suum esse conservare (per [[#p22c|Coroll. Prop. 22 hujus]]), idque ex ductu rationis (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]). Qui igitur se ipsum ignorat, omnium virtutum fundamentum, et consequenter omnes virtutes ignorat. Deinde ex virtute agere nihil aliud est, quàm ex ductu rationis agere (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]), et qui ex ductu rationis agit, scire necessariò debet se ex ductu rationis agere (per [[Ethica - Pars II#p43|Prop. 43 Part. II]]) ; qui itaque se ipsum, et consequenter (ut jam ostendimus) omnes virtutes maximè ignorat, is minimè ex virtute agit, hoc est (ut ex [[#d8|Def. 8 hujus]] patet), maximè animo est impotens ; atque adeò (per [[#p40|Prop. praec.]]) maxima superbia, vel abjectio maximam animi impotentiam indicat. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p56c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Hinc clarissimè sequitur, superbos, et abjectos maximè affectibus esse obnoxios.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p56s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Abjectio tamen faciliùs corrigi potest, quàm superbia, quandoquidem haec Laetitiae, illa autem Tristitiae est affectus ; atque adeò (per [[#p18|Prop. 18 hujus]]) haec illâ fortior est.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p57&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 57 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Superbus parasitorum, seu adulatorum praesentiam amat, generosorum autem odit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Superbia est Laetitia orta ex eo, quòd homo de se plùs justo sentit (per [[Ethica - Pars III#ad28|Def. 28]] et [[Ethica - Pars III#ad6|6. Affect.]]), quam opinionem homo superbus, quantùm potest, fovere conabitur (vide [[Ethica - Pars III#p13s|Schol. Prop. 13 Part. III]]) ; adeóque superbi, parasitorum, vel adulatorum (horum Definitiones omisi, quia nimis noti sunt) praesentiam amabunt, et generosorum, qui de ipsis, ut par est, sentiunt fugient. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p57s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Nimis longum foret, hîc omnia Superbiae mala enumerare, quandoquidem omnibus affectibus obnoxii sunt superbi ; sed nullis minûs, quàm affectibus Amoris, et Misericordiae. Sed hîc minimè tacendum est, quòd ille etiam superbus vocetur, qui de reliquis minùs justo sentit, atque adeò hoc sensu Superbia definienda est, quòd sit Laetitia orta ex falsâ opinione, quòd homo se supra reliquos esse putat. Et Abjectio huic Superbiae contraria definienda esset Tristitia orta ex falsâ opinione, quòd homo se infra reliquos esse credit. At hoc posito facilè concipimus, superbum necessariò esse invidum (vide [[Ethica - Pars III#p55s|Schol. Prop. 55 Part. III]]), et eos maximè odio habere, qui maximè ob virtutes laudantur, nec facilè eorum Odium Amore, aut beneficio vinci (vide [[Ethica - Pars III#p41s|Schol. Prop. 41 Part. III]]), et eorum tantummodò praesentiâ delectari, qui animo ejus impotenti morem gerunt, et ex stulto insanum faciunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Abjectio, quamvis Superbiae sit contraria, est tamen abjectus superbo proximus. Nam, quandoquidem ejus Tristitia ex eo oritur, quòd suam impotentiam ex aliorum potentiâ, seu virtute judicat, levabitur ergo ejus Tristitia, hoc est, laetabitur, si ejus imaginatio in alienis vitiis contemplandis occupetur, unde illud proverbium natum : ''solamen miseris socios habuisse malorum'', et contrà eò magis contristabitur, quò se magis infra reliquos esse crediderit ; unde fit, ut nulli magis ad Invidiam sint proni, quàm abjecti ; et ut isti maximè hominum facta observare conentur ad carpendum magis, quàm ad eadem corrigendum, et ut tandem solam Abjectionem laudent, eâque glorientur ; sed itâ, ut tamen abjecti videantur. Atque haec ex hoc affectu tam necessariò sequuntur, quàm ex naturâ trianguli, quòd ejus tres anguli aequales sint duobus rectis ; et jam dixi me hos, et similes affectûs malos vocare, quatenus ad solam humanam utilitatem attendo. Sed naturae leges communem naturae ordinem, cujus homo pars est, respiciunt ; quod hîc in transitu monere volui, ne quis putaret me hîc hominum vitia, et absurda facta narrare, non autem rerum naturam, et proprietates demonstrare voluisse. Nam, ut in Praefatione Partis Tertiae dixi, humanos affectûs, eorumque proprietates perinde considero, ac reliqua naturalia. Et sanè humani affectûs, si non humanam, naturae saltem potentiam, et artificium non minùs indicant, quàm multa alia, quae admiramur, quorumque contemplatione delectamur. Sed pergo de affectibus ea notare, quae hominibus utilitatem adferunt, vel quae iisdem damnum inferunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p58&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 58 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Gloria rationi non repugnat, sed ab eâ oriri potest.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Patet ex [[Ethica - Pars III#ad30|30. Def.]] et ex Def. Honesti, quam vide in [[#p37s1|Schol. 1 Prop. 37 hujus]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p58s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Vana, quae dicitur, gloria est acquiescentia in se ipso, quae solâ vulgi opinione fovetur, eâque cessante, cessat ipsa acquiescentia, hoc est (per [[#p52s|Schol. Prop. 52 hujus]]), summum bonum, quod unusquisque amat ; unde fit, ut qui vulgi opinione gloriatur, quotidianâ curâ anxius nitatur, faciat, experiatur, ut famam conservet. Est namque vulgus varius, et inconstans, atque adeò, nisi conservetur fama, citò abolescit ; imò quia omnes vulgi captare applausûs cupiunt, facilè unusquisque alterius famam reprimit, ex quo, quandoquidem de summo, quod aestimatur, bonò certatur, ingens libido oritur se invicem quocunque modo opprimendi, et qui tandem victor evadit, gloriatur magis, quòd alteri obsuit, quàm quòd sibi prosuit. Est igitur haec gloria, seu acquiescentia reverâ vana, quia nulla est.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quae de Pudore notanda sunt, colliguntur facilè ex iis, quae de Misericordiâ, et Poenitentiâ diximus. Hoc tantùm addo, quòd ut Commiseratio, sic etiam Pudor, quamvis non sit virtus, bonus tamen est, quatenus indicat, homini, qui Pudore suffunditur, cupiditatem inesse honestè vivendi, sicut dolor, qui eatenus bonus dicitur, quatenus indicat, partem laesam nondum esse putrefactam ; quare, quamvis homo, quem facti alicujus pudet, reverâ sit tristis, est tamen perfectior impudenti, qui nullam habet honestè vivendi cupiditatem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Atque haec sunt, quae de affectibus Laetitiae, et Tristitiae notare susceperam. Ad cupiditates quod attinet, hae sanè bonae, aut malae sunt, quatenus ex bonis, aut malis affectibus oriuntur. Sed omnes reverâ, quatenus ex affectibus, qui passiones sunt, in nobis ingenerantur, caecae sunt (ut facilè colligitur ex iis, quae in [[#p44s|Schol. Prop. 44 hujus]] diximus), nec ullius usûs essent, si homines facilè duci possent, ut ex solo rationis dictamine viverent, ut jam paucis ostendam.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p59&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 59 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Ad omnes actiones, ad quas ex affectu, qui passio est, determinamur, possumus absque eo à ratione determinari.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Ex ratione agere nihil aliud est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3]] et [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]), quàm ea agere, quae ex necessitate nostrae naturae, in se solâ consideratae, sequuntur. At Tristitia eatenus mala est, quatenus hanc agendi potentiam minuit, vel coërceret (per [[#p41|Prop. 41 hujus]]) ; ergo ex hoc affectu ad nullam actionem possumus determinari, quam non possemus agere, si ratione duceremur. Praeterea Laetitia eatenus mala est, quatenus impedit, quominùs homo ad agendum sit aptus (per [[#p41|Prop. 41]] et [[#p43|43 hujus]]), atque adeò eatenus etiam ad nullam actionem determinari possumus, quam non possemus agere, si ratione duceremur. Denique quatenus Laetitia bona est, eatenus cum ratione convenit (consistit enim in eo, quòd hominis agendi potentia augetur, vel juvatur), nec passio est, nisi quatenus hominis agendi potentia non eò usque augetur, ut se, suasque actiones adaequatè concipiat (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III cum ejus Schol.]]). Quare si homo Laetitiâ affectus ad tantam perfectionem duceretur, ut se, suasque actiones adaequatè conciperet, ad easdem actiones, ad quas jam ex affectibus, qui passiones sunt, determinatur, aptus, imò aptior esset. At omnes affectûs ad Laetitiam, Tristitiam, vel Cupiditatem referuntur (vide explicationem [[Ethica - Pars III#ad4|quartae Aff. Def.]]), et Cupiditas (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. Affect. Def.]]) nihil aliud est, quàm ipse agendi conatus ; ergo ad omnes actiones, ad quas ex affectu, qui passio est, determinamur, possumus absque eo solâ ratione duci. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Aliter :''' Actio quaecunque eatenus dicitur mala, quatenus ex eo oritur, quod Odio, aut aliquo malo affectu affecti sumus (vide [[#p45c1|Coroll. 1 Prop. 45 hujus]]). At nulla actio, in se solâ considerata, bona, aut mala est (ut in [[#pr|Praefatione hujus]] ostendimus) : sed una, eademque actio jam bona, jam mala est ; ergo ad eandem actionem, quae jam mala est, sive quae ex aliquo malo affectu oritur, ratione duci possumus (per [[#p19|Prop 19 hujus]]). Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p59s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Explicantur haec clariùs exemplo. Nempe verberandi actio, quatenus physicè consideratur, et ad hoc tantùm attendimus, quod homo brachium tollit, manum claudit, totumque brachium vi deorsum movet, virtus est, quae ex Corporis humani fabricâ concipitur. Si itaque homo, Irâ, vel Odio commotus, determinatur ad claudendam manum, vel brachium movendum, id, ut in Parte Secundâ ostendimus, fit, quia una, eademque actio potest jungi quibuscunque rerum imaginibus ; atque adeò tam ex iis imaginibus rerum, quas confusè, quàm quas clarè, et distinctè concipimus, ad unam, eandemque actionem determinari possumus. Apparet itaque, quod omnis Cupiditas, quae ex affectu, qui passio est, oritur, nullius esset usûs, si homines ratione duci possent. Videamus jam, cur Cupiditas, quae ex affectu, qui passio est, oritur, caeca à nobis appellatur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p60&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 60 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae oritur ex Laetitiâ, vel Tristitiâ, quae ad unam, vel ad aliquot, non autem ad omnes Corporis partes refertur, rationem utilitatis totius hominis non habet.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Ponatur ex. gr. Corporis pars A vi alicujus causae externae ità corrobari, ut reliquis praevaleat (per [[#p6|Prop. 6 hujus]]), haec pars vires suas amittere propterea non conabitur, ut reliquae Corporis partes suo fungantur officio.Deberet enim vim, seu potentiam habere vires suas amittendi, quod (per [[Ethica - Pars III#p6|Prop. 6 Part. III]]) est absurdum. Conabitur itaque illa pars, et consequenter (per [[Ethica - Pars III#p7|Prop. 7]] et [[Ethica - Pars III#p12|12 Part. III]]). Mens etiam illum statum conservare ; adeóque Cupiditas, quae ex tali affectu Laetitiae oritur, rationem totius non habet. Quod si contra supponatur pars A coërciri, ut reliquae praevaleant, eodem modo demonstratur, quod nec Cupiditas, quae ex Tristitiâ oritur, rationem totius habeat. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p60s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Cùm itaque Laetitia plerumque (per [[#p44s|Schol. Prop. 44 hujus]]) ad unam Corporis partem referatur, cupimus ergo plerumque nostrum esse conservare, nullâ habitâ ratione integrae nostrae valetudinis : ad quod accedit, quod Cupiditates, quibus maximè tenemur (per [[#p9c|Coroll. Prop. 9 hujus]]), temporis tantùm praesentis, non autem futuri habent rationem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p61&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 61 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cupiditas, quae ex ratione oritur, excessum habere nequit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Cupiditas (per [[Ethica - Pars III#ad1|1. Affect. Def.]]), absolutè considerata, est ipsa hominis essentia, quatenus quocumque modo determinata concipitur ad aliquid agendum; adeóque Cupiditas, quae ex ratione oritur, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), quae in nobis ingeneratur, quatenus agimus, est ipsa hominis essentia, seu natura, quatenus determinata concipitur ad agendum ea, quae per solam hominis essentiam adaequatè concipiuntur (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]): si itaque haec Cupiditas excessum habere posset, posset ergo humana natura, in se solâ considerata, se ipsam excedere, sive plus posset, quàm potest, quod manifesta est contradictio; ac proinde haec Cupiditas excessum habere nequit. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p62&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 62 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Quatenus Mens ex rationis dictamine res concipit, aequè afficitur, sive idea sit rei futurae, vel praeteritae, sive praesentis.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Quicquid Mens ducente ratione concipit, id omne sub eâdem aeternitatis, seu necessitatis specie concipit (per [[Ethica - Pars II#p44c2|Coroll. 2 Prop. 44 Part. II]]), eâdemque certitudine afficitur (per [[Ethica - Pars II#p43|Prop. 43 Part. II et ejus Schol.]]). Quare, sive idea sit rei futurae, vel praeteritae, sive praesentis, Mens eâdem necessitate rem concipit, eâdemque certitudine afficitur, et, sive idea sit rei futurae, vel praeteritae, sive praesentis, erit nihilominùs aequè vera (per [[Ethica - Pars II#p41|Prop. 41 Part. II]]), hoc est (per [[Ethica - Pars II#d4|Def. 4 Part. II]]), habebit nihilominùs semper easdem ideae adaequatae proprietates; atque adeò quatenus Mens ex rationis dictamine res concipit, eodem modo afficitur, sive idea sit rei futurae, vel praeteritae, sive praesentis. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p62s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Si nos de rerum duratione adaequatam cognitionem habere, earumque existendi tempora ratione determinare possemus, eodem affectu res futuras, ac praesentes contemplaremur, et bonum, quod Mens ut futurum conciperet, perinde, ac praesens, appeteret, et consequenter bonum praesens minus pro majori bono futuro necessariò negligeret, et quod in praesenti bonum esset, sed causa futuri alicujus mali, minimè appeteret, ut mox demonstrabimus. Sed nos de duratione rerum (per [[Ethica - Pars II#p31|Prop. 31 Part. II]]) non nisi admodùm inadaequatam cognitionem habere possumus, et rerum existendi tempora (per [[Ethica - Pars II#p44s|Schol. Prop. 44 Part. III]]) solâ imaginatione determinamus, quae non aequè afficitur imagine rei praesentis, ac futurae; unde fit, ut vera boni, et mali cognitio, quam habemus, non nisi abstracta, sive universalis sit, et judicium, quod de rerum ordine, et causarum nexu facimus, ut determinare possimus, quid nobis in praesenti bonum, aut malum sit, sit potius imaginarium, quàm reale; atque adeò mirum non est, si Cupiditas, quae ex boni, et mali cognitione, quatenus haec futurum prospicit, oritur, faciliùs rerum Cupiditate, quae in praesentiâ suaves sunt, coërceri potest, de quo vide [[#p16|Prop. 16 hujus Partis]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p63&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 63 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Qui Metu ducitur, et bonum, ut malum vitet, agit, is ratione non ducitur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Omnes affectûs, qui ad Mentem, quatenus agit, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]), qui ad rationem referuntur, nulli alii sunt, quàm affectûs Laetitiae, et Cupiditatis (per [[Ethica - Pars III#p59|Prop. 59 Part. III]]); atque adeò (per [[Ethica - Pars III#ad13|13. Affect. Def.]]) qui Metu ducitur, et bonum timore mali agit, is ratione non ducitur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p63s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Superstitiosi, qui vitia exprobare magis, quàm virtutes docere nôrunt, et qui homines non ratione ducere, sed Metu ità continere student, ut malum potiùs fugiant, quàm virtutes ament, nil aliud intendunt, quàm ut reliqui aequè, ac ipsi, fiant miseri, et ideò non mirum, si plerumque molesti, et odiosi sint hominibus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p63c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Cupiditate, quae ex ratione oritur, bonum directè sequimur, et malum indirectè fugimus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Nam Cupiditas, quae ex ratione oritur, ex solo Laetitiae affectu, quae passio non est, oriri potest (per [[Ethica - Pars III#p59|Prop. 59 Part. III]]), hoc est, ex Laetitiâ, quae excesum habere nequit (per [[#p61|Prop. 61 hujus]]); non autem ex Tristitiâ, ac proinde haec Cupiditas (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]) ex cognitione boni, non autem mali oritur; atque adeò ex ductu rationis bonum directè appetimus, et eatenus tantùm malum fugimus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p63cs&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Explicatur hoc Corollarium exemplo aegri, et sani. Comedit aeger id, quod aversatur, timore mortis; sanus autem cibo gaudet, et vitâ sic meliùs fruitur, quàm si mortem timeret, eamque directè vitare cuperet. Sic judex, qui non Odio, aut Irâ, etc., sed solo Amore salutis publicae reum mortis damnat, solâ ratione ducitur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p64&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 64 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Cognitio mali cognitio est inadaequata.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Cognitio mali (per [[#p8|Prop. 8 hujus]]) est ipsa Tristitia, quatenus ejusdem sumus conscii. Tristitia autem est transitio ad minorem perfectionem (per [[Ethica - Pars III#ad3|3. Affect. Def.]]), quae propterea per ipsam hominis essentiam intelligi nequit (per [[Ethica - Pars III#p6|Prop. 6]] et [[Ethica - Pars III#p7|7 Part. III]]); ac proinde (per [[Ethica - Pars III#d2|Def. 2 Part. III]]) passio est, quae (per [[Ethica - Pars III#p3|Prop. 3 Part. III]]) ab ideis inadaequatis pendet, et consequenter (per [[Ethica - Pars II#p29|Prop. 29 Part. III]]) ejus cognitio, nempe mali cognitio, est inadequata. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p64c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Hinc sequitur, quòd si Mens humana non, nisi adaequatas, haberet ideas, nullam mali formaret notionem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p65&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 65 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''De duobus bonis majus, et de duobus malis minus ex rationis ductu sequemur.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Bonum, quod impedit, quominùs majore bono fruamur, est reverâ malum ; malum enim, et bonum (ut in [[#pr|Praefat. hujus]] ostendimus) de rebus dicitur, quatenus easdem ad invicem comparamus, et (per eandem rationem) malum minus reverâ bonum est, quare (per [[#p63c|Coroll. Prop. 63 hujus]]) ex rationis ductu bonum tantùm majus, et malum minus appetemus, seu sequemur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p65c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Malum minus pro majore bono ex rationis ductu sequemur, et bonum minus, quod causa est majoris mali, negligemus. Nam malum, quod hic dicitur minus, reverâ bonum est, et bonum contrà malum, quare (per [[#p65c|Coroll. Prop. 65 hujus]]) illud appetemus, et hoc negligemus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p66&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 66 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Bonum majus futurum prae minore praesenti, et malum praesens minus prae majori futuro ex rationis ductu appetemus.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Si Mens rei futurae adaequatam posset habere cognitionem, eodem affectu erga rem futuram, ac erga prasentem afficeretur (per [[#p62|Prop. 62 hujus]]) ; quare quatenus ad ipsam rationem attendimus, ut in hâc Propositione nos facere supponimus, res eadem est, sive majus bonum, vel malum futurum, sive praesens supponatur ; ac proinde (per [[#p65|Prop. 65 hujus]]) bonum futurum majus prae minore praesenti etc. appetemus. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p66c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Malum praesens minus, quod est causa majoris futuri boni, ex rationis ductu appetemus, et bonum praesens minus, quod causa est majoris futuri mali, negligemus. Hoc Coroll. se habet ad praec. Prop. ut [[#p65|Coroll. Prop. 65 ad ipsam Prop. 65]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p66s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Si igitur haec cum iis conferantur, quae in hâc Parte usque ad Prop. 18 de affectuum viribus ostendimus, facilè videbimus, quid homo, qui solo affectu, seu opinione, homini, qui ratione ducitur, intersit. Ille enim, velit nolit, ea, quae maximè ignorat, agit ; hic autem nemini, nisi sibi, morem gerit, et ea tantum agit, quae in vitâ prima esse novit, quaeque propterea maximè cupit, et ideò illum fervum, hunc autem liberum voco, de cujus ingenio, et vivendi ratione pauca adhuc notare libet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p67&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 67 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homo liber de nullâ re minùs, quàm de morte cogitat, et ejus sapientia non mortis, sed vitae meditatio est.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Homo liber, hoc est, qui ex solo rationis dictamine vivit, mortis Metu non ducitur (per [[#p63|Prop. 63 hujus]]) ; sed bonum directè cupit (per Coroll. ejusdem Prop.), hoc est (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]), agere, vivere, suum esse conservare ex fundamento proprium utile quaerendi ; atque adeò nihil minùs, quàm de morte cogitat ; sed ejus sapientia vitae est meditatio. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p68&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 68 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Si homines liberi nascerentur, nullum boni, et mali formarent conceptum, quamdiu liberi essent.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Illum liberum esse dixi, qui solâ ducitur ratione ; qui itaque liber nascitur, et liber manet, non nisi adaequatas ideas habet, ac proinde mali conceptum habet nullum (per [[#p64c|Coroll. Prop. 64 hujus]]), et consequenter (nam bonum, et malum correlata sunt) neque boni. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p68s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Hujus Propositionis Hypothesin falsam esse, nec posse concipi, nisi quatenus ad solam naturam humanam, seu potius ad Deum attendimus, non quatenus infinitus, sed quatenus tantummodò causa est, cur homo existat, patet ex [[#p4|4. Propositione hujus Partis]]. Atque hoc, et alia, quae jam demonstravimus, videntur à Mose significari in illâ primi hominis historiâ. In eâ enim nulla alia Dei potentia concipitur, quàm illa, quâ hominem creavit, hoc est, potentia, quâ hominis solummodò utilitati consuluit, atque eatenus narratur, quòd Deus homini libero prohibuerit, ne de arbore cognitionis boni, et mali comederet, et quòd, simulac de eâ comederet, statim mortem metueret potiùs, quàm vivere cuperet. Deinde, quòd inventâ ab homine uxore, quae cum suâ naturâ prorsus conveniebat, cognovit nihil posse in naturâ dari, quod ipsi posset illâ esse utilius ; sed quòd, postquam bruta sibi similia esse credidit, statim eorum affectûs imitari inceperit (vide [[Ethica - Pars III#p27|Prop. 27 Part. III]]), et libertatem suam amittere, quam Patriarchae postea recuperaverunt, ducti Spiritu Christi, hoc est, Dei ideâ, à quâ solâ pendet, ut homo liber sit, et ut bonum, quod sibi cupit, reliquis hominibus cupiat, ut suprà (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]) demonstravimus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p69&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 69 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Hominis liberi virtus aequè magna cernitur in declinandis, quàm in superandis periculis.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Affectus coërciri, nec tolli potest, nisi affectu contrario, et fortiore affectu coërcendo (per [[#p7|Prop. 7 hujus]]). At caeca Audacia et Metus affectûs sunt, qui aequè magni possunt concipi (per [[#p5|Prop. 5]] et [[#p3|3 hujus]]). Ergo aequè magna animi virtus, seu fortitudo (hujus Definitionem vide in [[Ethica - Pars III#p59s|Schol. Prop. 59 Part. III]]) requiritur ad Audaciam, quàm ad Metum coërcendum, hoc est (per [[Ethica - Pars III#ad40|Def. 40]] et [[Ethica - Pars III#ad41|41 Affect.]]), homo liber eâdem animi virtute pericula declinat, quâ eadem superare tentat. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p69c&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Corollarium :''' Homini igitur libero aequè magnae Animositati fuga in tempore, ac pugna ducitur : sive homo liber eâdem Animositate, seu animi praesentiâ, quâ certamen, fugam eligit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p69s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Quid Animositas sit, vel quid per ipsam intelligam, in [[Ethica - Pars III#p59s|Scholio Prop. 59 Part. III]] explicui. Per periculum autem id omne intelligo, quod potest esse causa alicujus mali, nempe Tristitiae, Odii, Discordiae, etc.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p70&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 70 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homo liber, qui inter ignaros vivit, eorum, quantum potest, beneficia declinare studet.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Unusquisque ex suo ingenio judicat, quid bonum sit (vide [[Ethica - Pars III#p39s|Schol. Prop. 39 Part. III]]) ; ignarus igitur, qui in aliquem beneficium contulit, id ex suo ingenio aestimabit, et si minoris ab eo, cui datum est, aestimari videt, contristabitur (per [[Ethica - Pars III#p42|Prop. 42 Part. III]]). At homo liber reliquos homines amicitiâ sibi jungere (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]), nec paria hominibus beneficia ex eorum affectu referre, sed se, et reliquos libero rationis judicio ducere, et ea tantùm agere studet, quae ipse prima esse novit : ergo homo liber, ne ignaris odio sit, et ne eorum appetitui, sed soli rationi obsequatur, eorum beneficia, quantum potest, declinare conabitur. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p70s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Dico ''quantum potest''. Nam quamvis homines ignari sint, sunt tamen homines, qui in necessitatibus humanum auxilium, quo nullum praestabilius est, adferre queunt ; atque adeò saepe fit, ut necesse sit ab iisdem beneficium accipere, et consequenter iisdem contrà ex eorum ingenio congratulari ; ad quod accedit, quòd etiam in declinandis beneficiis cautio esse debet, ne videamur eosdem contemnere, vel prae Avaritiâ remunerationem timere, atque ità dum eorum Odium fugimus, eo ipso in eorum offensionem incurramus. Quare in declinandis beneficiis ratio utilis, et honesti habenda est.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p71&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 71 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Soli homines liberi erga invicem gratissimi sunt.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Soli homines liberi sibi invicem utilissimi sunt, et maximâ amicitiae necessitudine invicem junguntur (per [[#p35|Prop. 35 hujus, et 1. ejus Coroll.]]), parique amoris studio sibi invicem benefacere conantur (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]) ; adeóque (per [[Ethica - Pars III#ad34|34. Affect. Def.]]) soli homines liberi erga se invicem gratissimi sunt. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p71s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Gratia, quam homines, qui caecâ Cupiditate ducuntur, invicem habent, mercatura, seu aucupium potiùs, quàm gratia plerumque est. Porrò ingratitudo affectus non est. Est tamen ingratitudo turpis, quia plerumque hominem nimio Odio, Irâ, vel Superbiâ, vel Avaritiâ etc. affectum esse indicat. Nam qui prae stultitiâ dona compensare nescit, ingratus non est, et multò minùs ille, qui donis non movetur meretricis, ut ipsius libidini inserviat, nec furis, ut ipsius furta celet, vel alterius similis. Nam hic contrà animum habere constantem ostendit, qui scilicet se nullis donis ad suam, vel communem perniciem patitur corrumpi.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p72&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 72 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homo liber nunquam dolo malo, sed semper cum fide agit.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Si liber homo quicquam dolo malo, quatenus liber est, ageret, id ex dictamine rationis ageret (nam eatenus tantùm liber à nobis appellatur) : atque adeò dolo malo agere virtus esset (per [[#p24|Prop. 24 hujus]]), et consequenter (per eandem Prop.) unicuique ad suum esse conservandum consultius esset, dolo malo agere, hoc est (ut per se notum), hominibus consultius esset verbis solummodò convenire, re autem invicem esse contrarios, quod (per [[#p31c|Coroll. Prop. 31 hujus]]) est absurdum. Ergo homo liber etc. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p72s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Si jam quaeratur, quid si homo se perfidiâ à praesenti mortis periculo posset liberare, an non ratio suum esse conservandi omninò suadet, ut perfidus sit? Respondebitur eodem modo, quòd si ratio id suadeat, suadet ergo id omnibus hominibus, atque adeò ratio omninò suadet hominibus, ne nisi dolo malo paciscantur, vires conjungere, et jura habere communia, hoc est, ne reverâ jura habeant communia, quod est absurdum.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p73&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Propositio 73 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
''Homo qui ratione ducitur, magis in civitate, ubi ex communi decreto vivit, quàm in solitudine, ubi sibi soli obtemperat, liber est.''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Demonstratio :''' Homo, qui ratione ducitur, non ducitur Metu ad obtemperandum (per [[#p63|Prop. 63 hujus]]) ; sed quatenus suum esse ex rationis dictamine conservare conatur, hoc est (per [[#p66s|Schol. Prop. 66 hujus]]), quatenus liberè vivere conatur, communis vitae, et utilitatis rationem tenere (per [[#p37|Prop. 37 hujus]]), et consequenter (ut in [[#p37s2|Schol. 2 Prop. 37 hujus]] ostendimus) ex communi civitatis decreto vivere cupit. Cupit ergo homo, qui ratione ducitur, ut liberiùs vivat, communia civitatis jura tenere. Q.E.D.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;p73s&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Scholium :''' Haec, et similia, quae de verâ hominis libertate ostendimus, ad Fortitudinem, hoc est (per [[Ethica - Pars III#p59s|Schol. Prop. 59 Part. III]]) ad Animositatem, et Generositatem referuntur. Nec operae pretium duco, omnes Fortitudinis proprietates hîc separatim demonstrare, et multò minùs, quòd vir fortis neminem odio habeat, nemini irascatur, invideat, indignetur, neminem despiciat, minimeque superbiat. Nam haec, et omnia, quae ad veram vitam, et Religionem spectant, facilè ex [[#p37|Propositione 37]] et [[#p46|46 hujus Partis]] convincuntur ; nempe quòd Odium Amore contrà vincendum sit, et quòd unusquisque, qui ratione ducitur, bonum, quod sibi appetit, reliquis etiam ut fit, cupiat. Ad quod accedit id, quod in [[#p50s|Scholio Propositionis 50 hujus Partis]], et aliis in locis notavimus, quòd scilicet vir fortis hoc apprimè consideret, nempe quòd omnia ex necessitate divinae naturae sequantur, ac proinde quicquid molestum, et malum esse cogitat, et quicquid praeterea impium, horrendum, injustum, et turpe videtur, ex eo oritur, quòd res ipsas perturbatè, mutilatè, et confusè concipit ; et hâc de causâ apprimè conatur res, ut in se sunt, concipere, et verae cognitionis impedimenta amovere, ut sunt Odium, Ira, Invidia, Irrisio, Superbia, et reliqua hujusmodi, quae in praecedentibus notavimus ; atque adeò, quantùm potest, conatur, uti diximus, benè agere, et laetari. Quòusque autem humana virtus ad haec consequanda se extendat, et quid possit, in sequenti Parte demonstrabo.&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ap&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Appendix ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quae in hâc Parte de rectâ vivendi ratione tradidi, non sunt ità disposita, ut uno aspectu videri possint ; sed dispersè à me demonstrata sunt, prout scilicet unum ex alio faciliùs deducere potuerim. Eadem igitur hîc recolligere, et ad summa capita redigere proposui.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;pca1&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 1'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Omnes notri conatûs, seu Cupiditates ex necessitate nostrae naturae ità sequuntur, ut vel per ipsam solam, tanquam per proximam suam causam, possint intelligi, vel quatenus naturae sumus pars, quae per se absque aliis individuis non potest adaequatè concipi.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca2&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 2'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Cupiditates, quae ex nostrâ naturâ ita sequuntur, ut per ipsam solam possit intelligi, sunt illae, quae ad Mentem referentur, quatenus haec ideis adaequatis constare concipitur ; reliquae vero Cupiditates ad Mentem non referentur, nisi quatenus res inadaequatè concipit, et quarum vis, et incrementum non humanâ, sed rerum, quae extra nos sunt, potentiâ definiri debet ; et ideo illae rectè actiones, hae autem passiones vocantur ; illae namque nostram potentiam semper indicant, et hae contra nostram impotentiam, et mutilatam cognitionem.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca3&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 3'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nostrae actiones, hoc est, Cupiditates illae, quae hominis potentiâ, seu ratione definiuntur, semper bonae sunt, reliquae autem tam bonae, quàm malae possunt esse.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca4&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 4'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In vitâ itaque apprimè utile est, intellectum, seu rationem, quantùm possumus, perficere, et in hoc uno summa hominis felicitas, seu beatitudo consistit ; quippe beatitudo nihil aliud est, quàm ipsa animi acquiescentia, quae ex Dei intuitivâ cognitione oritur : at intellectum perficere nihil etiam aliud est, quàm Deum, Deique attributa, et actiones, quae ex ipsius naturae necessitate consequuntur, intelligere. Quare hominis, qui ratione ducitur, finis ultimus, hoc est, summa Cupiditas, quâ reliquas omnes moderari studet, est illa, quâ fertur ad se, resque omnes, quae sub ipsius intelligentiam cadere possunt, adaequatè concipiendum.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca5&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 5'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nulla igitur vita rationalis est sine intelligentiâ, et res eatenus tantùm bonae sunt, quatenus hominem juvant, ut Mentis vitâ fruatur, quae intelligentiâ definitur. Quae autem contrà impediunt, quominùs homo rationem perficere, et rationali vitâ frui possit, eas solummodo malas esse dicimus.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca6&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 6'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Sed quia omnia illa, quorum homo efficiens est causa, necessariò bona sunt, nihil ergo mali homini evenire potest, nisi à causis externis ; nempe quatenus pars est totius naturae, cujus legibus humana natura obtemperare, et cui infinitis modis penè sese accommodare cogitur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca7&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 7'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nec fieri potest, ut homo non sit naturae pars, et communem ejus ordinem non sequatur ; sed si inter talia individua versetur, quae cum ipsius hominis naturâ conveniunt, eo ipso hominis agendi potentia juvabitur, et fovebitur. At si contrà inter talia sit, quae cum ipsius naturâ minimè conveniunt, vix absque magnâ ipsius mutatione iisdem sese accommodare poterit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca8&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 8'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quicquid in rerum naturâ datur, quod judicamus malum esse, sive posse impedire, quominùs existere, et vitâ rationali frui queamus, id à nobis removere eâ viâ, quae securior videtur, licet, et quicquid contrà datur, quod judidamus bonum, sive utile esse ad nostrum esse conservandum, et vitâ rationali fruendum, id ad nostrum usum capere, et eo quocumque modo uti nobis licet ; et absolutè id unicuique summo naturae jure facere licet, quo ad ipsius utilitatem conferre judicat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca9&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 9'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nihil magis cum naturâ alicujus rei convenire potest, quàm reliqua ejusdem speciei individua ; adeóque (per [[#ca7|Caput VII]]) nihil homini ad suum esse conservandum, et vitâ rationali fruendum utilius datur, quàm homo, qui ratione ducitur. Deinde quia inter res singulares nihil novimus, quod homine, qui ratione ducitur, sit praestantius, nullâ ergo re magis potest unusquisque ostendere, quantùm arte, et ingenio valeat, quàm in hominibus ità educandis, ut tandem ex proprio rationis imperio vivant.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca10&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 10'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quatenus homines Invidiâ, aut aliquo Odii affectu in se invicem feruntur, eatenus invicem contrarii sunt, et consequenter eo magis timendi, quo plùs possunt, quàm reliqua naturae individua.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca11&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 11'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Animi tamen non armis, sed Amore, et Generositate vincuntur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca12&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 12'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hominibus apprimè utile est, consuetudines jungere, seseque iis vinculis astringere, quibus aptiùs de se omnibus unum efficiant, et absolutè ea agere, quae firmandis amicitiis inserviunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca13&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 13'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Sed ad haec ars, et vigilantia requiritur. Sunt enim homines varii (nam rari sunt, qui ex rationis praescripto vivunt), et tamen plerumque invidi, et magis ad vindictam, quàm ad Misericordiam proclives. Unumquemque igitur ex ipsius ingenio ferre, et sese continere, ne eorum affectûs imitetur, singularis animi potentiae opus est. At qui contrà homines carpere, et vitia potiùs exprobare, quàm virtutes docere, et hominum animos non firmare, sed frangere nôrunt, ii et sibi, et reliquis molesti sunt ; unde multi prae nimiâ scilicet animi impatientiâ, falsoque religionis studio, inter bruta potiùs, quàm inter homines vivere maluerunt ; ut pueri, vel adolescentes, qui parentum jurgia aequo animo ferre nequeunt, militatum confugiunt, et incommoda belli, et imperium tyrannidis prae domesticis commodis, et paternis admonitionibus eligunt, et quidvis oneris sibi imponi patiuntur, dummodo parentes ulciscantur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca14&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 14'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quamvis igitur homines omnia plerumque ex suâ libidine moderentur, ex eorum tamen communi societate multo plura commoda, quàm damna sequuntur. Quare satiùs est eorum injurias aequo animo ferre, et studium iis adhibere, quae concordiae, et amicitiae conciliandae inserviunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca15&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 15'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Quae concordiam gignunt, sunt illa, quae ad justitiam, aequitatem, et honestatem referuntur. Nam homines praeter id, quod injustum, et iniquum est, etiam aegrè ferunt, quod turpe habetur, sive quod aliquis receptos civitatis mores aspernatur. Amori autem conciliando illa apprimè necessaria sunt, quae ad Religionem, et Pietatem spectant. De quibus vide [[#p37s1|Schol. 1]] et [[#p37s2|2 Prop. 37]] et [[#p46s|Schol. Prop. 46]] et [[#p73s|Schol. Prop. 73 Part. IV]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca16&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 16'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Solet praeterea concordia ex Metu plerumque gigni, sed sine fide. Adde, quod Metus ex animi impotentiâ oritur, et propterea ad rationis usum non pertinet ; ut nec Commiseratio, quamvis Pietatis speciem prae se ferre videatur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca17&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 17'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Vincuntur praeterea homines etiam largitate, praecipuè ii, qui non habent, unde comparare possint illa, quae ad vitam sustentandam necessaria sunt. Attamen unicuique indigenti auxilium ferre, vires et utilitatem viri privati longè superat. Divitiae namque viri privati longè impares sunt ad id suppeditandum. Unius praeterea viri facultas limitatior est, quàm ut omnes sibi possit amicitiâ jungere ; quare pauperum cura integrae societati incumbit, et ad communem tantùm utilitatem spectat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca18&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 18'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In benefeciis accipiendis, et gratiâ referendâ alia prorfùs debet esse cura, de quâ vide [[#p70s|Schol. Prop. 70]] et [[#p71s|Schol. Prop. 71 Part. IV]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca19&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 19'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Amor praeterea meretricius, hoc est, generandi libido, quae ex formâ oritur, et absolutè omnis Amor, qui aliam causam praeter animi libertatem agnoscit, facilè in Odium transit, nisi, quod pejus est, species delirii sit, atque tum magis discordiâ, quam concordia fovetur. Vide [[Ethica - Pars III#p31s|Schol. Prop. 31 Part. III]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca20&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 20'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ad matrimonium quod attinet, certum est, ipsum cum ratione convenire, si Cupiditas miscendi corpora non ex solâ formâ, sed etiam ex Amore liberos procreandi, et sapienter educandi, ingeneretur ; et praeterea, si utriusque, viri scilicet et fœminae, Amor, non solam formam, sed animi praecipuè libertatem pro causâ habeat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca21&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 21'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gignit praeterea adulatio concordiam, sed fœdo servitutis crimine, vel perfidiâ ; nulli quippe magis adulatione capiuntur, quàm superbi, qui primi esse volunt, nec sunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca22&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 22'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Abjectioni falsa pietatis, et religionis species inest. Et quamvis Abjectio Superbiae sit contraria, est tamen abjectus superbo proximus. Vide [[#p57s|Schol. Prop. 57 Part. IV]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca23&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 23'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Confert praeterea concordiae Pudor in iis tantùm, quae celari non possunt. Deinde, quia ipse Pudor species est Tristitiae, ad rationis usum non spectat.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca24&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 24'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Caeteri Tristitiae erga homines affectûs directè justitiae, aequitati, honestati, pietati, et religioni opponuntur, et, quamvis Indignatio aequitatis speciem prae se ferre videatur, ibi tamen sine lege vivitur, ubi unicuique de factis alterius judicium ferre, et suum, vel alterius jus vindicare licet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca25&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 25'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Modestia, hoc est, Cupiditas hominibus placendi, quae ex ratione determinatur, ad Pietatem (ut in [[#p37s1|Schol. 1 Prop. 37 Part. IV]] diximus) refertur. Sed, si ex affectu oriatur, Ambitio est, sive Cupiditas, quâ homines falsâ Pietatis imagine plerumque discordias, et seditiones concitant. Nam qui reliquos consilio, aut re juvare cupit, ut simul summo fruantur bono, is apprimè studebit, eorum sibi Amorem conciliare ; non autem eos in admirationem traducere, ut disciplina ex ipso habeat vocabulum, nec ullas absolutè Invidiae causas dare. In communibus deinde colloquiis cavebit hominum vitia referre, et de humanâ impotentiâ non nisi parcè loqui curabit : at largiter de humanâ virtute, seu potentiâ, et quâ viâ possit perfici, ut sic homines, non ex Metu, aut aversione, sed solo Laetitiae affectu moti, ex rationis praescripto, quantùm in se est, conentur vivere.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca26&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 26'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Praeter homines nihil singulare in naturâ novimus, cujus Mente gaudere, et quod nobis amicitiâ, aut aliquo consuetudinis genere jungere possumus ; adeóque quicquid in rerum naturâ extra homines datur, id nostrae utilitatis ratio conservare non postulat ; sed pro ejus vario usu conservare, destruere, vel quocunque modo ad nostrum usum adaptare nos docet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca27&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 27'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Utilitas, quam ex rebus, quae extra nos sunt, capimus, est praeter experentiam, et cognitionem, quam acquirimus ex eo, quod easdem observamus, et ex his formis in alias mutamus, praecipua corporis conservatio ; et hâc ratione res illae imprimis utiles sunt, quae Corpus ità alere, et nutrire possunt, ut ejus omnes partes officio suo rectè fungi queant. Nam quo Corpus aptius est, ut pluribus modis possit affici, et corpora externa pluribus modis afficere, eo Mens ad cogitandum est aptior (vide [[#p38|Prop. 38]] et [[#p39|39 Part. 4]]). At hujus notae perpauca in naturâ esse videntur, quare ad Corpus, ut requiritur, nutriendum necesse est multis naturae diversae alimentis uti. Quippe humanum Corpus ex plurimis diversae naturae partibus componitur, quae continuo alimento indigent, et vario, ut totum Corpus ad omnia, quae ex ipsius naturâ sequi possunt, aequè aptum sit, et consequenter ut Mens etiam aequè apta sit ad plura concipiendum.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca28&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 28'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ad haec autem comparandum vix uniuscujusque vires sufficerent, nisi homines operas mutuas traderent. Verum omnium rerum compendium pecunia attulit, unde factum, ut ejus imago Mentem vulgi maximè occupare soleat ; quia vix ullam Laetitiae speciem imaginari possunt, nisi concomitante nummorum ideâ, tanquam causâ.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;pca29&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 29'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Sed hoc vitium eorum tantùm est, qui non ex indigentiâ, nec propter necessitates nummos quaerunt ; sed quia lucri artes didicerunt, quibus se magnificè efferunt. Caeterum corpus ex consuetudine pascunt ; sed parcè, quia tantum de suis bonis se perdere credunt, quantum sui Corporis conservationi impendunt. At qui verum nummorum usum nôrunt, et divitiarum modum ex solâ indigentiâ moderantur, paucis contenti vivunt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca30&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 30'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Cùm igitur res illae sint bonae, quae Corporis partes juvant, ut suo officio fungantur, et Laetitia in eo consistat, quod hominis potentia, quatenus Mente et Corpore constat, juvatur, vel augetur, sunt ergo illa omnia, quae Laetitiam afferunt, bona. Attamen, quoniam contrà non eum in finem res agunt, ut nos Laetitiâ afficiant, nec earum agendi potentia ex nostrâ utilitate temperatur, et denique, quoniam Laetitia plerumque ad unam Corporis partem potissimùm refertur, habent ergo plerumque Laetitiae affectûs (nisi ratio, et vigilantia addit), et consequenter Cupiditates etiam, quae ex iisdem generantur, excessum ; ad quod accedit, quod ex affectu id primum habeamus, quod in praesentiâ suave est, nec futura aequali animi affectu aestimare possumus. Vide [[#p44s|Schol. Prop. 44]] et [[#p60s|Schol. Prop. 60 Part. 4]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca31&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 31'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
At superstitio id contrà videtur statuere bonum esse, quod Tristitiam, et id contrà malum, quod Laetitiam affert. Sed, ut jam diximus (vide [[#p45s|Schol. Prop. 45 Part. IV]]), nemo, nisi invidus, meâ impotentiâ, et incommodo delectatur. Nam quo majori Laetitiâ afficimur, eo ad majorem perfectionem transimus ; et consequenter eo magis de naturâ divinâ participamus, nec Laetitia unquam mala esse potest, quam nostrae utilitatis vera ratio  moderatur. At qui contrà Metu ducitur, et bonum, ut malum vitet, agit, is ratione non ducitur.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;span id=&amp;quot;ca32&amp;quot;&amp;gt;&amp;lt;/span&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''Caput 32'''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Sed humana potentia admodùm limitata est, et à potentiâ causarum externarum infinitè superatur ; atque adeò potestatem absolutam non habemus, res, quae extra nos sunt, ad nostrum usum aptandi. Attamen ea, quae nobis eveniunt contra id, quod nostrae utilitatis ratio postulat, aequo animo feremus, si conscii simus nos functos nostro officio fuisse, et potentiam, quam habemus, non potuisse se eo usque extendere, ut eadem vitare possemus, nosque partem totius naturae esse, cujus ordinem sequimur. Quod si clarè, et distinctè intelligamus, pars illa nostri, quae intelligentiâ definitur, hoc est, pars melior nostri in eo planè acquiescet, et in eâ acquiescentiâ perseverare conabitur. Nam, quatenus intelligimus, nihil appetere, nisi id, quod necessarium est, nec absolutè, nisi in veris acquiescere possumus ; adeóque quatenus haec rectè intelligimus, eatenus conatus melioris partis nostri cum ordine totius naturae convenit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;div style=&amp;quot;text-align: center;&amp;quot;&amp;gt;'''''Finis Quartae Partis'''''&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Adnotationes ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;references/&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Pourquoipas</name></author>	</entry>

	</feed>